Handelingen

Amsterdam, Prinsengracht 281 - Westerkerk

Uit Reliwiki


Bezig met het laden van de kaart...
Algemene gegevens
Naam kerk: Westerkerk
Genootschap: PKN Nederlands Hervormd
Provincie: Noord-Holland
Gemeente: Amsterdam
Plaats: Amsterdam
Adres: Prinsengracht 281
Postcode: 1013GN
Inventarisatienummer: 04753
Jaar ingebruikname: 1631
Architect: Keyser, Hendrick de
Huidige bestemming: kerk
Monument status: Rijksmonument
Monumentenbordje 2014.jpg
4298

Voorgeschiedenis

Grote stadskerk met dubbel transept en hoge toren (85 m, de hoogste kerktoren van Amsterdam).

Vanaf 1306 stond op de plaats van de huidige Westerkerk waarschijnlijk al een kerk die aan St. Nicolaas was gewijd. Op 29-05-1578 werd de hervorming ingevoerd. De nieuwe Westerkerk verrees begin zeventiende eeuw in de zich toen westwaarts uitbreidende stad, de huidige noordelijke grachtengordel. De kerk was opgericht voor de nieuwe gereformeerde elite in de grachtengordel.

opname JvN 02-04-1984

Geschiedenis

Westerkerk (1620-1631 ontwerp H. de Keyser). Na de bouw was de Westerkerk de grootste nieuwgebouwde protestantse kerk ter wereld, tot ca. 1700. Driebeukige basiliek op rechthoekige plattegrond met twee transepten. Inventaris zie V.L. Westerkerktoren (1620 beg. ontwerp H. de Keyser, in gewijzigde vorm voltooid 1638 door zijn zoon Pieter). Zeer hoge toren (87 m.) bestaande uit in hoogte in omvang afnemende vierkante verdiepingen en een bekroning in de vorm van een keizerskroon. Klokkenspel bestaande uit 14 klokken van François Hemony, vervaardigd in 1658, en 36 moderne klokken. Automatisch trommelspeelwerk uit 1650, met trommel van Hemony. Op de tweede torenetage hangen in 1959 buiten gebruik gestelde klokken, gegoten door Hemony, en afkomstig uit het klokkenspel. Daar bevindt zich tevens het oorspronkelijke, zeventiende-eeuwse stokkenklavier van het klokkenspel, dat eveneens niet meer in gebruik is.

Het gelui van de Westertoren werd eveneens in 1658 door François Hemony vervaardigd. Echter, de grote klok werd in 1686 reeds door Claudy Fremy hergoten. De Fremyklok heeft een onderdoorsnede van 164 cm, de beide behouden Hemonyklokken 131 en 109 cm. Het driegelui wordt nog immer met de hand geluid. In het bovenste, open deel van de toren bevindt zich nog een grote uurklok. Deze werd door Assuerus Koster in 1636 vervaardigd, en heeft een onderdoorsnede van maar liefst 227 cm.

De schilder Rembrandt van Rhijn (1607-1669) zou in de linker zijbeuk van de kerk zijn begraven. Hieraan herinnert een kleine gevelsteen aan de zijwand. Op 10 maart 1966 werd in de Westerkerk het huwelijk van Prinses Beatrix en Prins Claus ingezegend. De kerk heeft een nog grotendeels zeventiende-eeuwse inrichting en kroonluchters uit de negentiende Eeuw. Het stoelenplan is modern en dateert van begin jaren 1990.

Eind jaren 1980, begin jaren 1990 is het kerkgebouw gerestaureerd: daarbij zijn kap en gewelven opnieuw bedekt en beschilderd. Daarnaast zijn de vensters en natuurstenen ornamenten aangepakt en opnieuw beschilderd. De toren is in 2006-'07 gerestaureerd onder leiding van wijlen restauratiearchitect Walter Kramer. Daarbij is de keizerskroon in de oorspronkelijke blauwe kleur overgeschilderd. De grote siervazen op de hoeken van de op één na hoogste lantaarn kregen eveneens hun blauwe kleur. Ook het stadswapen met de kroon aan de torengevel werden opnieuw geschilderd. Gedurende de twintigste eeuw (vanaf ca. 1906) had de kroon een gele kleur (zie o.a. afbeelding hiernaast).

Monumentomschrijving Rijksdienst

Westerkerk (1620-1631 ontwerp H. de Keyser). Driebeukige basiliek op rechthoekige plattegrond met twee transepten. Inventaris zie V.L. Westerkerktoren (1620 beg. ontwerp H. de Keyser, in gewijzigde vorm voltooid 1638). Zeer hoge toren bestaande uit in hoogte in omvang afnemende vierkante verdiepingen en een bekroning in de vorm van een keizerskroon. Klokkenspel bestaande uit 14 klokken van François Hemony, gegoten in 1658, en 36 moderne klokken. Automatisch trommelspeelwerk uit 1650, met trommel van Hemony. Op de zolder ? buiten gebruik gestelde klokken. Klokkenstoel met gelui bestaande uit een klok van C. Fremy, 1686, diam. 180 cm, en twee klokken van François Hemony, 1658, diam. resp. 130 en 120 cm.

Orgel met Hoofdwerk, Bovenwerk, Rugwerk en vrij Pedaal, in 1686 gemaakt door R.B. en J. Duyschot. In 1727 door C. Vater uitgebreid met een Bovenwerk.

Orgels

Hoofdorgel

Het hooforgel is in de jaren 1683-86 gebouwd door Roelof Barend en Johannes Duyschot (Amsterdam). Christian Vater (Hannover) breidt het in 1726/27 uit met een Bovenwerk. De orgelmaker J.J. Vool (Amsterdam) vernieuwt in 1786 de klaviatuur en de koppelingen. In 1845 plaatst H. Knipscheer (Amsterdam) nieuwe frontpijpen en wijzigt de dispositie. De firma D.G. Steenkuyl (Amsterdam) bouwt het instrument in 1895 drastisch om, intoneert het opnieuw, vernieuwt de balgen en voorziet het van pneumatische registertractuur. In 1939 vernieuwen Th. Strunk (Rotterdam), C. Verweys (Amsterdam) en de firma J.C. Sanders (Utrecht) de windvoorziening, elektrificeren de tractuur, plaatsen een nieuwe speeltafel en breiden het orgel uit met een vierde manuaal. De firma Flentrop Orgelbouw (Zaandam) herbouwt het orgel in de jaren 1989/92, in grote lijnen naar de situatie van 1727.

Hoofdorgel van Duyschot it 1686
Dispositie
  • Hoofdwerk (manuaal 2): Prestant 16' discant dubbel - Octaaf 8' discant dubbel - Quintadeen-Roerfluit 8' - Octaaf 4' discant dubbel - Nasaet 3' discant dubbel Superoctaaf 2' discant dubbel (1992) - Sesquialter 2⅔' 3-4 sterk discant (1992) - Mixtuur 2' 3-7 sterk bas/discant - Scherp 1' 4-7 sterk bas/discant (1992) - Fagot 16' (1992) - Trompet 8' (1992).
  • Rugwerk (manuaal 1): Prestant 8' discant dubbel - Holpijp 8' - Quintadeen 8' - Octaaf 4' discant dubbel - Openfluit 4' discant dubbel - Octaaf 2' discant dubbel Sifflet 1' discant dubbel (1992) - Sesquialter 2⅔' 2-3 (1992) - Mixtuur 2' 3-8 sterk - Scherp 1' 3-8 sterk (1992) - Scherp 1 3/5' 4 sterk vanaf a (1992) - Trompet 8' (1992) - Tremulant.
  • Bovenwerk (manuaal 3): Prestant 8' discant dubbel - Baarpijp 8' (1895) - Quintadeen 8' - Octaaf 4' discant dubbel - Holfluit 4' - Quint 3' discant dubbel - Woudfluit 2' discant dubbel - Ruispijp 2' 3-6 sterk - Tertiaan 1 3/5' 2-3 sterk - Dulciaan 8' (1992) - Vox Humana 8' - Tremulant.
  • Pedaal: Bourdon 16' (1992) - Prestant 8' - Roerquint 6' - Octaaf 4' - Bazuin 16' (1992) - Trompet 8' (1992) - Trompet 4' (1992).
  • Koppelingen: Rugwerk aan Pedaal - Hoofdwerk aan Pedaal - Bovenwerk aan Pedaal - Rugwerk aan Hoofdwerk - Hoofdwerk aan Rugwerk - Bovenwerk aan Hoofdwerk.
  • Tremulant. Afsluiters voor alle werken.

Mechanische sleepladen. Omvang HW, BovW: C-d3, Rugwerk: CDE-d3. Omvang pedaal: C-d1. Toonhoogte: a1 = 440 Hz. Temperatuur: evenredig zwevend. Zes spaanbalgen. Winddruk: 74 mm WK.

Kleine orgel

Het kleine orgel wordt in 1964 door de firma D.A. Flentrop (Zaandam) gebouwd ten behoeve van de cantatediensten. Adviseur is de toenmalige organist van de kerk, Simon C. Jansen (1911-1980). In 1999 wordt het door Flentrop Orgelbouw (Zaandam) gerestaureerd en opnieuw geïntoneerd. Bovendien wordt de Subbas 16' van het pedaal vernieuwd en de orgelkas geschilderd.

Dispositie
  • Hoofdwerk (manuaal 1): Holpijp 8' - Prestant 4' - Gemshoorn 4' - Octaaf 2' - Sesquialter 2⅔' 2 sterk - Mixtuur 1⅓' 3-4 sterk.
  • Borstwerk, in zwelkast (manuaal 2): Holpijp 8' - Openfluit 4' - Nachthoorn 2' - Cymbel ½' 1-2 sterk - Regaal 8' - Tremulant.
  • Pedaal: Subbas 16' (1999).
  • Koppelingen: Hoofdwerk aan Pedaal - Borstwerk aan Pedaal - Manuaalkoppeling.

Mechanische sleepladen. Manuaalomvang: C-g3. Pedaalomvang: C-f1. Winddruk: 80 mm. WK.

In de media

Uit Het Vaderland, 25 Juli 1929.

Op Zondagmorgen 7 dezer werd de predikbeurt in de Westerkerk der Ned. Herv. Gem. te Amsterdam vervuld door ds. G.A. den Hertog, Ned. Herv. predikant te Amsterdam. Het is ook bij dezen confessioneelen predikant in de hoofdstad een goede gewoonte geworden om, onmiddellijk na de predicatie, enkele minuten orgelspel te laten volgen, alvorens het dankgebed uitgesproken wordt. Over het orgelspel, onmiddellijk na de preek, is al heel wat gesproken, men maakt er zelfs al Beginselkwesties van! Men keurt een dominee, al of niet ethisch, al of niet zwaar enz., enz.

Hetgeen nu echter in de genoemde, door ds. den Hertog geleide godsdienstoefening in de Westerkerk plaats had, is echter nog nimmer tot op heden voorgekomen. De dienstdoende Ouderling, n.l. broeder C. J. van der Well, protesteerde op dien Zondagmorgen in de kerk, tegen het geven van een naspel op het orgel na de preek van ds. den Hertog, door in de handen te klappen en te applaudiseeren!! Diep treurig, dit vond nu niet plaats in een geref. Bondsgemeente op de Veluwe, maar, let wel, in dc hoofdstad van ons vaderland!

Thans brengt het Classicaal Bestuur van Amsterdam in het laatst verschenen nummer van Het Kerkbeurtenblad der Ned. Herv. Gem. te Amsterdam ter kennis, „dat het in zijn buitengewone vergadering van 12 dezer op den ouderling C.J. van der Well heeft toegepast het eerste tuchtmiddel, een berisping, wegens diens gedragingen in de godsdienstoefening in de Westerkerk te Amsterdam op Zondagmorgen 7 dezer, zijnde deze gedraging grootelijks in strijd met de waardigheid van het ambt van ouderling, met de Christelijke liefde, met den eerbied verschuldigd aan den dienst Gods, en met den ordelijken gang van zaken in de Kerk".

Voorloopig kan dus deze broeder-ouderling het hiermede doen! Sommigen, onder wie blijkbaar ook de berispte Ouderling-ambtsdrager, zijn van meening, dat na de preek direct de slotzang moet volgen. Wij zouden zeggen: laat men toch overal juist het orgelspel, onmiddellijk na de preek en vóór het dankgebed, invoeren. Immers, hoe menigmaal hebben we een zegen medegenomen van het bezielende orgelspel van den organist der Wilhelminakerk hier ter stede, den heer Van Leeuwen, die blijkbaar het gesproken woord van den kansel zoo goed had beluisterd dat hij, onmiddellijk na de predicatie, zijn bezieling wist te leggen in een prachtig voorgedragen orgelsolo, uitmuntend weergevend het woord van den prediker.

Uit Het Vaderland, 30 December 1938.

TWEE BELANGRIJKE ORGELRESTAURATIES

Martinikerk te Groningen en Westerkerk te Amsterdam

Op het oogenblik worden volgens bestek en onder leiding van den Nederlandschen Klokken- en Orgelraad twee orgelrestauraties uitgevoerd, die door haar opzet en omvang bijzondere aandacht verdienen. De eerste is die van het oudste orgel in Nederland, dat in de Groote of Martinikerk te Groningen, in 1479 door Rudolphus Agricola te Groningen begonnen.

(....)

In denzelfden geest wordt de restauratie en uitbreiding van het orgel in de Westerkerk te Amsterdam uitgevoerd. Dit orgel werd in 1686 opgeleverd door R.B. Duyschot te Amsterdam, doch had in 1895 een moderniseering te ondergaan, die met name aan het geluid van dit werk niet ten goede kwam. Bovendien waren de windladen door de verwarming in de laatste jaren geheel ontzet.

De orgelraad maakte een restauratieplan op, dat beoogde herstel van het orgel in den stijl van oorsprong en aanvulling met moderne stemmen tot een totaal van 57 stemmen (waaronder 1 1/2 transmissie) en vier manualen plus vrij pedaal.

Met het oog op het belang van deze restauratie is deze opgedragen aan een combinatie van Nederlandsche orgelbouwers, en wel aan de firma's J.C. Sanders en Zoon te Utrecht, comm. venn. G. Verweys ie Amsterdam en Th. Strunk te Rotterdam. Deze zullen het werk gezamenlijk uitvoeren, met dien verstande, dat de heer Strunk uitsluitend de intonatie zal verzorgen, dat de firma Verweys de nieuwe regulateurs, kanalen, speeltafel en de restauratie en aanvulling van het oude pijpwerk voor haar rekening neemt, terwijl de overige werkzaamheden zullen worden uitgevoerd door de firma Sanders, nl. restauratie en uitbreiding der oude sleepladen, restauratie en electrificeering van het mechaniek, dispositie-uitbreiding met zes nieuwe stemmen, aanbrenging van een nieuw borstwerk op sleepladen en zwelkast met tien stemmen en dergelijke.

De restauratie zal in September 1939 voltooid zijn. Dan zal het Westerkerkorgel, wat manualenaantal betreft het grootste van Noord-Holland, en wat stemmenaantal aangaat (op dat van de Hersteld-Luthersche kerk met zijn 59 stemmen na) het grootste van Amsterdam zijn.

Het is toe te juichen, dat deze belangrijke opdrachten niet zooals aanvankelijk werd gevreesd, naar het buitenland zijn gegaan, doch door samenwerking van verschillende instanties in eigen land konden worden gehouden.

Uit Het Vaderland, 20 Juni 1940.

Onze correspondent te Amsterdam schrijft:

Dezer dagen voor een ander doel in de Westerkerk zijnde, deden wij daar de verrassende ontdekking, dat de groote luiken van het in restauratie zijnde orgel, welke luiken door G. de Lairesse (1641—1711) met zinnebeeldige voorstellingen beschilderd werden, waren afgenomen en op den grond stonden. Er was dus een zeldzame gelegenheid om die luiken of deuren van nabij te bezien — en te bewonderen.

De voorstelling op het rechterluik geeft de ontmoeting van Koning Salomo en de Koningin van Scheba weer. Koning Salomo zit op zijn troon, onder een troonhemel, en is daardoor min of meer in de schaduw gehuld. Ook hierdoor en vermoedelijk mede door den invloed van den tijd, en den staat waarin dit meesterwerk, ondanks een voorloopige restauratie verkeert, is zijn figuur minder goed te zien. De linkerhand, waarin hij den scepter voert, is als ter verwelkoming van de vorstin, vooruit gestrekt en omlaag gezonken; de rechterhand, met uitgestoken wijsvinger, houdt hij voor de borst. Aan den voet van den troon staan de raadslieden of leden der hofhouding blijkbaar zeer onder den indruk van het groote oogenblik, de komst van de Koningin van Scheba; dat verraadt althans de gelaatsuitdrukking van verschillende personen. De figuur van de Koningin van Scheba is schitterend bewaard gebleven, al zal ongetwijfeld ook hier een definitieve en grondige restauratie door deskundigen, de schoonheid verhoogen. Zij staat in het volle licht, het hoofd getooid met in verschillende nuances gekleurde struisveeren.

Om de schouders heeft zij een lichtblauwen doek, dien zij met de rechterhand dichthoudt en die op fraaie wijze uitkomt tegen het bruine fond van haar kleed. Met de andere hand wijst zij naar de schatten, welke zij als geschenk aan Koning Salomo aanbiedt. Gedeeltelijk worden deze door haar dienaren aangedragen, gedeeltelijk staan zij reeds op den grond langs den onderkant der schildering. De laatste figuur in de rij heeft een hoorn des overvloeds in de hand, tot den rand gevuld met paarlen en bloedkoraal. Vóór dezen staat een Moor, in prachtig oud-rood gewaad, die een gouden kom, bedekt met een witten doek torst. Een andere geknield liggende figuur, stort goudstukken uit een hoorn des overvloeds op den grond. De geschenken bestaan uit gouden vaatwerk, een hoogen gouden kandelaar en een gedreven schaal van edel metaal. Achter de schoone Koningin rijst een portiek omhoog, waarvan de kolommen een sterke overeenkomst vertoonen met de drie aan drie gekoppelde Dorische zullen van het interieur der Westerkerk.

Op het linkerluik is de hoofdfiguur David, de koninklijke harpenaar, blijkbaar dansend voor de Heilige Ark, die men slechts flauw ziet, maar waarvan de aanwezigheid toch nog voldoende kan worden vastgesteld. De oude strenge kop van een grijsaard met witten baard op zij van de Ark is blijkbaar die van een dragenden priester. Koning David is omringd door musiceerende figuren. Die rechts slaat op de pauken; het meisje er naast bespeelt den triangel. De jongeling in het midden, tusschen de beide op de fluit blazende figuren, heeft een blad muziekpapler met notenschrift in de hand. En een van de meisjes achter David tokkelt op een gitaar. Dit tafreel is in de natuur voorgesteld — doornen vormen den achtergrond.

Het geheel is een tooneel van warm en krachtig koloriet. De achterzijde van de luiken — in gesloten toestand de voorzijde —is thans ongeschilderd. Of dit altijd zoo geweest is, weten wij niet. Maar hoe dit zij, wat bewaard ls gebleven, is een machtig staal van de kunst van dezen jongeren tijdgenoot van Rembrandt; het werd blijkbaar geschilderd onder Italiaanschen, haast Napolitaanschen en Genueeschen invloed, en is een verrukking voor de oogen. Wat een geluk, dat dergelijke werken nog te Amsterdam te vinden zijn en voor elkeen te bewonderen!

Uit Het Vaderland, 11 November 1940.

Sinds ongeveer twee jaar is men bezig, het orgel van de Westerkerk te Amsterdam te restaureeren. Men hoopt over een paar weken gereed te zijn.

Eenigen tijd geleden zijn toevalligerwijs — geheel buiten de restauratie om — vier oude luiken van dit orgel teruggevonden in den keider van het gebouw. Verscheiden tientallen jaren moeten deze daar hebden gelegen; ntuurlijk verkeerden zij in een verwaarloosden staat. Ze worden nu ook gerestaureerd en zullen op hun oorspronkelijke plaats worden aangebracht. Die plaats is aan het orgelfront onder de nog aanwezige (naar men vermoedt door De Lairesse beschilderde) bovenluiken voor het hoofdmanuaal, die eveneens worden gerestaureerd. De hervonden luiken vertoonen aan den voorkant geschilderde guirlandes, kransen en bladmotieven. Aan den achterkant (die te zien kwam wanneer het orgel werd bespeeld) staan allerlei muziekinstrumenten afgebeeld.

Verwacht mag worden, dat het uitstekende orgel, dat in 1687 door Van Duysschot is vervaardigd, weer een waardig uiterlijk zal ontvangen. Aan zijn restauratie werken drie firma's samen en wanneer de restauratie voltooid is zal de Westerkerk — die een moderne verwarmingsinstallatie bezit en uit dien hoofde zich voor winterbijenkomsten leent — een uitstekende gelegenheid voor orgelbespelingen geven.

Uit Het Vaderland, 8 Januari 1941.

ORGEL IN LUISTER HERSTELD. Orgelrestauratie in de Westerkerk maakte groote fouten ongedaan

Een medewerker schrijft ons: Precies 255 jaar na de totstandkoming is eindelijk Zondag l.l. het orgel in de Westerkerk weer in gebruik genomen. Omdat is aangekondigd, dat er zeven orgelconcerten zullen worden gegeven op achtereenvolgende Zaterdagmiddagen, zal menig orgelliefhebber te Amsterdam zich afvragen, wat er nu precies met het oude vermaarde instrument is geschied.

Toen de Amsterdamsche orgelmaker Jan Duysschot op 24 Dec. 1686 zijn schepping ten overstaan van 7 organisten opleverde zag het er als volgt uit. Het hoofdklavier had tien stemmen waarvan het Praestant compleet aanwezig was in 16, 8, 4 en 2 voeten. Daarnaast stond een 8 voets Quintadena, een Fluit van 4 en een Trompet van 8 voet. De onmisbare Mixtuur, Sesquialter en Scherp, ontbrak niet. Het bovenklavier had eveneens tien stemmen, n.l. Praestant 8 vt., Baarpijp 8 vt., Quintadena 8 vt., Octaaf 4 en Fluit 4 vt., en een Woudfluit van 2 voet. Voorts stond er 'n Quint 2 2/3, een Tertiaan, 'n Ruischpijp en 'n Vox-humana van 8 voet. Deze laatste was een van de spécialités van de Duysschots, die deze op hun beurt weer van de Hagerbeers geleerd hadden. Ook het rugpositief was prachtig. Daar stonden o a op 'n Cornet, 'n Mixtuur, een Sesquialter, 'n Scherp en een 8 voets Trompet. Natuurlijk waren er de gebruikelijke stemmen als Praestant 8 vt., Holpijp 8 vt., Quintadena 8 vt., het Octaaf 4 vt., en de Sifflet van één voet. Dus eveneens tien stemmen.

Het pedaal was weinig omvangrijk, het bezat zes stemmen, waaronder slechts één zestienvoets Bourdon. Voorts de Praestanten van 8 en 4 voet, een Quint van 5 1/3' en twee tongwerken, n.l. Bazuin 16 vt. en Trompet 8 voet. Curieus is, dat de Cis en Dis van het groot-octjaf, die van den beginne af ontbroken hebben, ook nu geen plaats hebben kunnen krijgen. Dit euvel stamt nog uit den tijd toen de orgelmakers van het 6-3-12 voets-systeem aanvangende bij F overgingen tot het 8-4-16 voets-systeem, beginnende bij C. Ze plaatsten dan wel de D- en de E-pijpen, maar lieten de tusschenliggende tonen maar weg. Moeilijkheden bij het stemmen — geen gelijkzwevende temperatuur — speelden hierbij eveneens een rol.

Alles bijeengenomen was het 'n prachtig instrument, het klankbeeld was misschien nog iets beter dan het springladen-orgel in de Nieuwe Kerk op den Dam. Behoudens eenige schade bij den brand van 1765, toen het gerepareerd werd door den vermaarden Chr. Muller die het instument te Haarlem geleverd had, is het orgel ongeveer 150 jaren intact gebleven. In de eerste helft van de vorige eeuw is het onderhanden genomen en toen is de Sesquialter op het rugpositief verdeeld in Quint 2 2/3' en Terts 1 3/5'.

Onder invloed van de romantiek is er in de vorige eeuw heel wat in den orgelbouw veranderd. De organisten eischten twee dingen: vooreerst lichtere bespeelbaarheid en dan orchestrale effecten. Men vergat dat 'n orgel ten allen tijde méér orgel is, naarmate het minder geluiden voortbrengt die aan 'n ander instrument herinneren. De Barkerhefboomen gaven weliswaar de gewenschte verlichting van den speelaard, maar het klankbeeld vertroebelde door het plaatsen van grondstemmen als Gamba's, Salicionalen, Voix-célestes, e.d. Dit alles stamde voor 'n deel van den overigens onvolprezen Franschen orgelbouwer Aristide Cavaillé-Coll. Doch helaas werd niet het goede, maar vaak het minder goede van hem overgenomen. Bovendien deed zich het curieuze feit voor, dat Cavaillé-Coll persoonlijk naar Holland kwam om hier het klankbeeld van onze oude orgels te beluisteren, omdat hem dit als ideaal voor oogen stond.

Te Groningen in de Martini-kerk en te Zwolle in de oude St. Michiel was in de tachtiger jaren een dergelijke „restauratie" tot stand gebracht door zekeren van Oeckelen, en zoo kwam in 1895 ook het orgel in de Westerkerk aan de beurt. De firma Steenkuyl speelde het toen klaar, het geheele regeerwerk te vernieuwen in den trant van de Barker-pneumatiek. Ook de registers kregen 'n beurt, de vulstemmen vlogen er uit! Van het rugpositief verdween de scherp en van het bovenklavier de Mixtuur en de Tertiaan. Als remplacanten traden op een Gedekte Fluit 4 vt, Viola di Gamba 8 vt, Voix-céleste 8 vt., en Dulciaan 8 vt. Door deze amputatie had het orgel het klankbeeld van 'n harmonium gekregen Maar dat was nu eenmaal de smaak van die dagen.

Drie orgelmakers zijn er aan te pas gekomen om het instrument weer op te knappen. Omstreeks Kerstmis 1938 is men begonnen met het werk dat in den zomer van dit jaar had moeten worden opgeleverd, doch om begrijpelijke redenen in zijn uitvoering vertraagd werd. De Amsterdammer Verweys maakte de nieuwe speeltafel, de balgen en kanalen. Strunk uit Rotterdam moest 16 nieuwe stemmen intoneeren naar den ouden trant en de fa. Sanders & Zn. te Utrecht zorgde voor het overige.

Zij hadden daarbij de goede gedachte de stemmen van Steenkuyl te laten verhuizen naar het nieuwe 4e klavier. Dit ziet er nu als volgt uit: Dulciaan 8 vt, Holquintadena 8 vt., de Gamba en Voix-céleste 8 vt., dateerende van 1895, voorts Koppelfluit 4 vt., Praestant 2 vt., Nachthoornquint 1 1/3 vt., Tertscymbel 3 sterk, Ranket 8 vt., en Trechterregaal 4 vt.

Het Manuaal is uitgebreid met 'n Kromhoorn 16 vt., terwijl op het rugpositief de Scherp 4-6 sterk weer in eere is hersteld. Het bovenklavier herkreeg de Tertiaan 2 sterk en de Ruischpijp 4-6 sterk, bovendien een vier voets Schalmei. Voorts zijn er nog allerlei dingen verbeterd, o.a. de electrificatie en de restauratie van de luiken van de Lairesse.

Zoo heeft het orgel 57 stemmen gekregen en is thans op een na het grootste van de hoofdstad geworden. Amsterdam is, wat betreft de orgels, een rijk gezegende stad. Vermoedelijk kan men nergens ter wereld zoo sterk uiteenloopende klankbeelden beluisteren uit alle perioden van den orgelbouw. Een fabel is het echter, dat uitsluitend de instrumenten in de protestante kerken goed zouden zijn. Eveneens mogen met eere worden vermeld het orgel van Smits uit Reek in de St. Willibrordus binnen de Veste, het orgel der Adema's in de Mozes en Aäron en het C.C.-orgel aan den Postjesweg, voorheen in de Augustijnerkerk op het Rusland. Het is alleen jammer, dat dit onder het gros van de katholieken zoo weinig bekend is.

Externe links

Afbeeldingen

Exterieur

Interieur

De volgende foto's werden alle gemaakt door Alie Stok-Britting, Krommenie.