Handelingen

Deventer, Grote Kerkhof 42 - Grote of St. Lebuïnuskerk

Uit Reliwiki


Bezig met het laden van de kaart...
Algemene gegevens
Naam kerk: Grote of St. Lebuïnuskerk
Genootschap: PKN Nederlands Hervormde Kerk
Provincie: Overijssel
Gemeente: Deventer
Plaats: Deventer
Adres: Grote Kerkhof 42
Postcode: 7411KV
Inventarisatienummer: 10004
Jaar ingebruikname: 15e eeuw
Architect:
Huidige bestemming: kerk
Monument status: Rijksmonument
Monumentenbordje 2014.jpg
12572 (Kerk)
Monumentenbordje 2014.jpg
12573 (Toren)

Geschiedenis

Zeer groot, monumentaal kerkgebouw met toren, in haar huidige vorm ontstaan vanuit een romaanse kapittelkerk, na diverse vergrotingen in de 14e en 15e eeuw. Eén van de grootste kerken in het oosten van het land. Tevens belangrijk voorbeeld van een hallenkerk in Nederrijns gotische stijl (zie uitgebreide beschrijving onder).

Tweede helft jaren 2000 is de toren gerestaureerd.

Sinds eind 2012 is dit de centrale kerk van de PKN in Deventer.

opname JvN 15-03-2003
opname JvN 15-03-2003
opname JvN 15-03-2003
opname JvN 15-03-2003
opname JvN 15-03-2003
opname JvN 15-03-2003

Nadere beschrijving

De Grote of Sint Lebuïnuskerk is een ruime laatgotische hallenkerk met kooromgang en een romaanse crypte; de forse toren heeft twee geledingen en een achtkantige lantaarn. Noch van het kerkje dat omstreeks 770 door Lebuïnus werd gesticht, noch van de beide kerkjes van kort na 775 en na 881 zijn sporen teruggevonden. De kern van het huidige gebouw is een zeer grote vroegromaanse kapittelkerk die kort na 1046 door de Utrechtse bisschop Bernold werd gesticht. Deze niet-overwelfde basiliek - geheel gebouwd in tufsteen - kwam in één bouwfase tot stand. Ze bestond uit een oostelijk dwarsschip en koor met een gedeeltelijk verzonken crypte, waarboven een hoogkoor was, aan beide zijden geflankeerd door een zijkoor.
Aan de westzijde bevond zich eveneens een dwarsschip met daartegen aangebouwd een westwerk bestaande uit twee romaanse westtorens, aan beide zijden geflankeerd door lagere traptorens. Tussen beide torens zal zich een lage ingangshal hebben bevonden, waarboven een ruimte was met uitzicht op het schip. Tijdens opgravingen in 1961-'62 zijn hiervan de funderingen blootgelegd.
Over de juiste reconstructie van dit westwerk verschillen de meningen en dat geldt ook voor de interpretatie van de functie, waarbij vergelijkingen zijn gemaakt met zowel de Dom van Verdun als de St.-Gertrudiskerk te Nijvel.
Het basilicale schip zou naar de huidige inzichten oorspronkelijk een indeling hebben gekend met zes scheibogen ondersteund door vijf rode zandstenen zuilen, zoals die nu nog te vinden zijn in de eveneens door Bernold gestichte kleinere, maar verder zeer vergelijkbare, St. Pieterskerk te Utrecht. Meer is bekend over de lichtbeuk, waarvan resten boven de huidige gewelven bewaard zijn gebleven en op grond waarvan aan beide zijden acht rondboogvensters gereconstrueerd kunnen worden. Ook de noordwand van het westelijke dwarsschip, waarin zich een toegang naar het bisschopshof bevond, de bijbehorende oostelijke kruispijlers, evenals de noordwand van het oostelijke dwarsschip en de vier kruispijlers zijn bewaard gebleven.
Het veruit belangrijkste 11de-eeuwse restant is evenwel de crypte. De ribloze kruisgewelven van de crypte worden gedragen door twee rijen van elk drie zuilen. De zuilen hebben teerlingkapitelen en spiraalvormig gegroefde of geschubde schachten uit Nivelsteiner zandsteen. De absis van de crypte, waarin een 11de-eeuws venster zit, is inwendig halfrond en uitwendig driezijdig gesloten. Toegang tot de crypte had men vanuit de lage zijkoren, waarvan de vloerhoogte ongeveer overeenkomt met het bordes van de huidige toegangstrap. In de crypte bevindt zich nog een put die in verbinding staat met de IJssel, enkele nissen en een later altaar. De muurschilderingen in de crypte, met een voorstelling van de vier aartsengelen die de Arma Christi dragen, stammen uit de 15de eeuw en mogelijk van kort na 1468. In het begin van de 13de eeuw heeft de kerk een eerste grote verbouwing ondergaan in opdracht van bisschop Dirk van der Are (1197-1212) of Otto van der Lippe die -evenals zijn broer, de proost van het Deventer kapittel, Dirk van der Lippe, het leven liet bij de slag bij Ane in 1227.
Mogelijk zijn toen pas de beide zijkapellen door middel van gewelven in tweeën gedeeld. De moeten van de gewelfaanzetten zijn nog zichtbaar aan de buitenzijde van het 11de-eeuwse opgaande werk van het hoogkoor. In ieder geval werd het hoofdkoor doorgetrokken tot aan de viering, waar aan de westzijde een oksaal verrees. De zijwanden van dit verruimde koor, benodigd voor het toegenomen aantal kapittelheren, werden bekroond door middel van op marmer gelijkende platen in zandstenen omlijsting. Deze platen van kalksinter zijn afkomstig uit de Romeinse waterleiding van de Eiffel naar Keulen waarin ze als een soort ‘ketelsteen’ zijn gevormd. Acht van de oorspronkelijk meer dan twintig platen zijn recentelijk opnieuw opgesteld in de openingen van het hoofdkoor. Ook de mozaïekvloer op het hoogkoor moet uit deze bouwfase stammen. De donkere plek daarin zou naar verluidt zijn veroorzaakt door een bij de stadsbrand van 1235 naar beneden gekomen brandende balk. Tevens werden het koor, het oostelijk dwarsschip, de westelijke viering en de zijbeuken overwelfd met zesdelige ribgewelven. Daartoe heeft men waarschijnlijk de zandstenen zuilen ommetseld. Aan het eind van de 13de eeuw volgde de overwelving van het schip met zesdelige gewelven. Het is onbekend hoeveel schade de kerk bij de stadsbrand van 1334 heeft opgelopen; mogelijk ontstond al in de 14de eeuw aan de zuidzijde een voorganger van de latere Pieterskapel.

In 1454-'59 begon de verbouwing tot hallenkerk. Daartoe verrees eerst de huidige zuiderzijbeuk, zodanig dat de gevel in één lijn kwam te staan met de beide zuidgevels van de twee romaanse transepten. Tevens werden de ommetselde zuilen vervangen door pijlers. Het materiaal van de oude zijbeuk werd gebruikt voor uitwendige bekleding in tufsteen, afgewisseld met Bentheimer zandsteen voor de constructieve onderdelen als waterlijsten en traceringen. Aan de zuidzijde van de kooromgang ontstond in 1481-'84 de Pieterskapel, een lage kapel met toegang tot de crypte, waarboven de sacristie was (later diaconie); aan de buitenzijde zijn de dichtgemaakte vensters van deze in 1856 gesloopte kapel nog zichtbaar. Aan de andere zijde werd in 1482 de Olafskapel met de bovengelegen kapittelzaal gesloopt ten behoeve van de bouw van een nieuwe kooromgang, die omstreeks 1502 gereed kwam. In 1494-'99 verrees aan de zuidkant van het oostelijke transept de laatgotische magistraatskapel. De verhoging en verbreding van de noorderzijbeuk in 1500-'03 completeerde de verbouwing tot laat-gotische hallenkerk, inwendig voorzien van kruis-, ster- en netgewelven.
In 1559 werd de St.-Lebuïnuskerk tot dom verheven, maar invloed op het gebouw zelf heeft dit niet gehad. Alleen kwam voor het hoogkoor een in 1841 herontdekte bisschopsgrafkelder tot stand, met de stoffelijke resten van Aegidius de Monte (†1577) en de Spaansgezinde bisschop van Haarlem Godefridus van Mierlo (†1587). Na een beeldenstorm in 1579 en 1580 werd de kerk ingericht voor de hervormde eredienst. In 1795 werd door terugtrekkende troepen alle meubilair opgestookt, waarna men omstreeks 1810 nieuwe banken maakte. In de periode 1838-'49 werd de kerk naar plannen van B. Looman heringericht, waarbij op het koor een aparte koorkerk ontstond, afgesloten met kalksinterplaten. Ook werd de vloer opnieuw gelegd. Nadat men in 1852 en 1885 aan de buitenzijde enige reparaties had uitgevoerd, volgde een algehele uitwendige restauratie. Naar plannen van W. te Riele werd de kerk van 1905 tot 1926 onderhanden genomen, waarbij aan de zuidzijde nieuwe pinakels en balustraden werden aangebracht, maar ook vanwege de slechte afwatering de gehele middeleeuwse kap plaats maakte voor een nieuwe. In 1942-'65 zijn de ramen gerestaureerd, waarbij men alle traceringen vernieuwde en uiteindelijk heeft men deze restauraties in 1986-'92 nog eens behoedzaam overgedaan. Van 1926 tot 1952 was het inwendige van de kerk aan de beurt, waarbij de kerk gaandeweg van een witte kerk met donker vast meubilair veranderde in een geheel ontpleisterde, lichte kerk met losse stoelen. De restauratie werd uitgevoerd onder leiding van kerkvoogd H.H. Beltman, waarbij de kerk geheel werd ontpleisterd, behalve waar muurschilderingen aanwezig bleken. Deze werden gerestaureerd door de firma Bokhorst. Het uiteindelijke resultaat is karakteristiek voor de toenmalige restauratieopvatting.
De inwendige restauratie bracht wel een aantal belangwekkende muur- en gewelfschilderingen aan het licht, waarvan de belangrijkste het vermelden waard zijn. Tegen de zuidelijke pijler van het westtransept zit een calvarievoorstelling uit omstreeks 1400; aan de noordelijke pijler de restanten van de schildering van H.H. Cosmas en Damianus uit het begin van de 15de eeuw. In opdracht van bisschop Rudolf van Diepholt, wiens wapen aan de zuidelijke pijler van het koor hangt, werd het koor opnieuw ingericht en beschilderd. Mogelijk geschiedde dit door broeder Rembertus Renesche, van wie een rekening uit 1447 bewaard is gebleven. Op de wanden en de pijlers bevinden zich verschillende resten van heiligen, musicerende engelen en de afbeelding van Mozes, St. Victor en St. Dorothea. Op de wanden in de kooromgang, staan St. Michaël en St. Quiruinus van Neuss afgebeeld, beide uit omstreeks 1530. De decoratieve schilderingen op de gewelven stammen uit omstreeks 1500 en stellen onder meer Phyllis en Aristoteles, de Ecce Homo-scène en het Lam Gods voor. Aan de noordzijde van de kooromgang ter plaatse van het altaar van de Bergenvaarders, zitten op het gewelf de afbeeldingen van St. Olaf, koning van Noorwegen, St. Geertruida van Nijvel en het wapen van de Bergenvaarders, alle uit omstreeks 1486. In het torenportaal aan de westzijde staat een kruisdragende Christus met Veronica uit omstreeks 1535 afgebeeld. De fraaie renaissancistische afbeeldingen van het Laatste Oordeel uit 1549 en de Hof van Gethsemane uit ongeveer dezelfde tijd aan de noordzijde van de westerzijbeuk waren al in 1875 herontdekt en door J.A.M. Meeuwissen gerestaureerd. Van na de Reformatie dateren de maniëristische Tien Geboden-schildering uit 1611 aan het westelijke eind van de noorderzijbeuk en de bellenblazende knaap uit 1620 op het koorgewelf. Van het gotische beeldhouwwerk is weinig bewaard gebleven; wat resteert zijn in de kooromgang de memoriestenen van de kanunniken Herman Badijser (†1457), Gerhardus Texalie (†1485), en Hericus de Diepenem (†1421) en de epitaaf van vicaris Johan Levini (†1450) met St. Sebastiaan; in de zuidelijke zijbeuk de beschadigde aanbidding voor Johan van Leyden, dijkgraaf van Salland (†1438) en in de noordelijke zijbeuk een beweningsepitaaf uit omstreeks 1430. De belangrijkste grafzerken zijn die van Balthasar Boedeker (†1617) (rechtopgezet), Catrina van Mouwick (†1597), Maria van Batenborg (†1618), een zerk met cameraar Marten Stegeman (†1617) en Simon van Groningen (†1758), de rijke maniëristische zerk van Herman Penninck (†1613) en zijn vrouw Lucia van Reede (†1617) en die van Hendrick van Haexbergen (†1635). De sarcofaag in de kooromgang is gevonden bij de opgraving van 1960/62.
Van de inventaris is de preekstoel in Lodewijk XVI-vormen uit 1781 vermeldenswaardig. Deze is gesneden door P.J. Zickler naar ontwerp van G.G.J. van Suchtelen. Mogelijk komt de preekstoel oorspronkelijk uit de Broederenkerk. Het orgel met materiaal afkomstig uit het door Frans Caspar Schnitger in 1720 verbouwde orgel, werd in 1836-'39 geheel herbouwd door J.H. Holtgräve. J.F. Stracké voerde het neobarokke snijwerk van de orgelkast uit. W. van Leeuwen bouwde het koororgel in 1942-'50; het heeft een frontontwerp van J. van Nieukerken.
De eerste steen voor de nieuwe westtoren (Grote Kerkhof 41) werd in 1459 gelegd. Al in 1454 begon de afbraak van de zuidelijke toren van het romaanse westwerk. De noordelijke toren bleef tot minstens 1486 als klokkentoren in gebruik. Omstreeks 1470 was men met de bouw van de nieuwe toren halverwege de tweede geleding gevorderd. Tevens werd de eerste geleding versterkt, voorzien van extra steunberen en inwendig uitgerust met houten muurstijlen en korbeelstellen. Dit lijkt erop te wijzen dat men hoger wilde gaan bouwen dan aanvankelijk was voorzien. Omstreeks 1486 was de tweede geleding gereed, toen het uurwerk en de klokken naar de hoogste zolder werden verplaatst. Vervolgens kon de romaanse noordtoren worden gesloopt.

Het plan voor een afsluitende achtzijdige gotische lantaarn met opengewerkte spits is nooit verwezenlijkt en in 1499 kreeg de toren een tentdak als bekroning. Tussen 1486 en 1500 kwam er aan de noordzijde van de toren een aanzet voor de bouw van een tweede westtoren. Toen men bijna de hoogte van de eerste geleding had bereikt, stagneerde de bouw door geldgebrek, maar tevens omdat de 14de-eeuwse zuidelijke zijbeuk van de Mariakerk in de weg stond. In het begin van de 16de eeuw zag men definitief af van het plan tot een dubbel torenfront. In 1609 besloot men tot de bouw van een nieuw uurwerk en klokkenspel, naar plannen van de Leidse uurwerkmaker Matthijs Gerritsen. Daartoe werd een open achtkantige lantaarn gebouwd met een koepeldak bekroond door een open uivormige spits. Het oorspronkelijke ontwerp uit 1612, naar plannen van Hendrick de Keyser, waarvan de maquette bewaard is gebleven (de vroegste van ons land), werd in 1613 uitgevoerd. Ten behoeve van het klokkenspel geschiedde dit in iets gewijzigde, maar vooral verhoogde vorm. Het opschrift op de lantaarn luidt: Fide Deo, Vigila, Consul en Fortis Age. Van de zestien in 1613 door Willem Wegewaert gegoten klokken was er slechts één bewaard gebleven toen men in 1647 bij François en Pieter Hemony een nieuw carillon bestelde, dat in 1653 door hen werd aangevuld met een grote luidklok en in 1664 met zeven andere klokken. In 1862 werd een nieuw uurwerk aangebracht en in 1865 hees men een nieuwe gietijzeren speeltrommel in de toren, gegoten door Nering Bögel en ontworpen door B. Looman.

Omschrijving Rijksdienst

Kerk

De Grote of St. Lebuïnuskerk. HALLENKERK uit eind XV/begin XVI, gebouwd op de funderingen en met gebruikmaking van delen van het opgaande werk van de XI romaanse basiliek. De zuidgevel is geheel met tufsteen bekleed; de Raadskapel aan deze zijde werd gebouwd tussen 1494-1499. De huidige kap vervangt sedert de XXa restauratie de middeleeuwse kap. Inwendig onder het verhoogde koor een romaanse krocht, overwelfd door graatgewelven, die op drie paar gebeeldhouwde zuilen rusten. De gehele kerk overkluisd met kruis-, ster- en netgewelven; de bepleistering op de wanden en pijlers is met uitzondering van de delen, die van wandschilderingen voorzien waren, in 1927 en volgende jaren verwijderd. Inventaris: eikenhouten preekstoel (1781), orgel met Hoofdwerk, Rugwerk, Bovenwerk en vrij Pedaal, in 1839 gebouwd door J.H. Holtgräve. Zandstenen sarcofaag; enige reliefvoorstellingen en grafzerken.

Toren

De toren, aansluitend tegen het westeinde van het zuidschip, bestaat uit twee XV B geledingen en pas in 1613 is de 62 meter hoge toren bekroond met een lantaarn naar het ontwerp van Hendrik de Keyser ten behoeve van het aanbrengen van een nieuw klokkenspel. Dit klokkenspel is het oudste Hemony-carillon dat nog bewaard is gebleven in Nederland. Het plan om een tweede toren te bouwen is niet uitgevoerd omdat de aangebouwde Mariakerk dit belemmerde. Wel is de fundering aangelegd die nu nog aanwezig is. In 1459 werd de eerste steen gelegd. Op de zuidoosthoek een achtzijdig traptorentje, oprijzend tot de omloop op de eerste geleding; tegen de westzijde van de onderste geleding twee zware steunberen. De toren en het carillon werden in 2009/10 gerestaureerd. Er zijn 47 klokken waarvan 28 originele Hemony klokken. Deze laatste werden niet gerestaureerd. Wel zijn de klepels vervangen wat het geluid verbeterde. De klokkenstoel werd vanwege betonrot vervangen door een lichter metalen exemplaar. De klokken hangen nu hoger waardoor het geluid beter weg kan. De toren is eigendom van de Gemeente Deventer.

Tot 1885 stond er een armenhuisje tegen de toren, van waaruit de verschillende armenkassen werden beheerd.

Klokkenstoel met gelui van vier klokken, waarvan één van P. Hemony, 1653, diam. 173 cm. en drie moderne klokken. Klokkenspel, waarvan 21 klokken gegoten door F. en P. Hemony 1647/53, 7 door F.Henomy 1664 en 1 H.Wegewaert 1613. Trommelspeelwerk van Nering Bögel, 1866. Mechanisch torenuurwerk, Firma Borel, Parijs, 1862. In de dakruiter boven de Magistratenkapel een klok van een anonieme gieter, 1943, diam. 55 cm.

Orgels

Hoofdorgel

Het hoofdorgel is een rijksmonument. Het is in 1836/39 gebouwd door Johann Heinrich Holtgräve (Deventer) met gebruikmaking van veel oud pijpwerk, balgen en windkanalen, afkomstig uit het oude orgel en in 1720/22 gemaakt door de orgelmaker Frans Caspar Schnitger (Zwolle). In 1890/92 wordt het instrument door de firma Gebr. van Oeckelen (Harendermolen) gerestaureerd en aan de veranderde smaak aangepast. De firma Willem van Leeuwen Gzn. restaureert het vervolgens in 1956. In 1972/75 wordt het door de firma D.A. Flentrop (Zaandam) opnieuw gerestaureerd, waarbij de wijzigingen uit 1892 ongedaan worden gemaakt. Alle tongwerken worden nieuw gemaakt.

Dispositie

Hoofdwerk (manuaal 2): Prestant 16' - Bourdon 16' - Octaaf 8' (1722) - Roerfluit 8' (1722) - Octaaf 4' (1722) - Gemshoorn 4' (1722) - Quint 3' - Octaaf 2' (1722) - Cornet 8' 5 sterk discant - Sexquialter 2⅔' 4 sterk discant (1722) - Mixtuur 2' 4-8 sterk (1722) - Fagot 16' (1975) - Trompet 8' (1975). Rugwerk (manuaal 1): Prestant 8' discant dubbel - Holpijp 8' - Quintadeen 8' - Octaaf 4' - Roerfluit 4' - Quint 3' (1722) - Octaaf 2' (1722) - Fluit 2' (1722) - Mixtuur 2' 3-6 sterk (1722) - Trompet 8' (1975) - Dulciaan 8' (1975) - Tremulant. Bovenwerk (manuaal 3): Baarpijp 8' (1722) - Viola di Gamba 8' - Holpijp 8' - Octaaf 4' (1722) - Openfluit 4' - Quintfluit 3' (1722) - Woudfluit 2' (1722) - Tertsfluit 1 3/5' (1975) - Nachthoorn 1' (1975) - Trompet 8' (1975) - Vox humana 8' (1975) - Tremulant. Pedaal: Prestant 16' - Subbas 16' - Octaaf 8' (1722) - Fluitbas 8' - Quint 6' (1722) - Octaaf 4' (1722) - Fluit 4' - Bazuin 16' (1975) - Trompet 8' (1975) - Trompet 4' (1975). Koppelingen: Hoofdwerk aan Pedaal - Hoofdwerk aan Rugwerk bas/discant - Rugwerk aan Hoofdwerk bas/discant - Bovenwerk aan Hoofdwerk bas/discant. Vier afsluiters. Mechanische sleepladen. Manuaalomvang: C-f3. Pedaalomvang: C-d1. Toonhoogte: a1 = 452 Hz. Negen spaanbalgen. Winddruk: 78 mm. WK.

Koororgel

Met de bouw van het koororgel werd in 1942 door de firma G. van Leeuwen & Zoon (Leiderdorp) begonnen. Het was een geschenk van de heer D.L. Ankersmit. Door materiaalschaarste tijdens en kort na de oorlog duurde het tot 1950 vooraleer het door Van Leeuwen voltooid werd. In 1993 restaureerde de firma Flentrop Orgelbouw (Zaandam) het koororgel.

Dispositie

Manuaal 1: Bourdon 16' - Prestant 8' - Bourdon 8' (unit) - Octaaf 4' - Mixtuur 3-4 sterk bas - Cornet 8' 5 sterk discant. Manuaal 2, in zwelkast: Baarpijp 8' - Viola di Gamba 8' - Fluit 4' - Roerquint 2⅔' - Gemshoorn 2' - Kromhoorn 8' - Tremulant. Pedaal: Subbas 16' (transm.) - Gedekt 8' (transm.). Koppelingen: manuaal 1 aan pedaal - manuaal 2 aan pedaal - manuaal 2 aan manuaal 1. Elektro-pneumatische kegelladen. Manuaalomvang: C-g3. Pedaalomvang: C-f1.

Literatuur

Stenvert, Ronald, De Grote of Lebuïnuskerk in Deventer, Deventer 1984

Mekking, A.J.J., Grote of Lebuïnuskerk te Deventer, Zutphen 1992

Kuile, E.H. ter, De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst: Zuid-Salland, 's-Gravenhage 1964

In de media

Uit Arnhemsche Courant, 24 Augustus 1839.

Deventer, 20 aug. Op zondag den 19den laatstleden, had alhier in de groote kerk de plegtige inwijding van een nieuw orgel plaats. Reeds voor eenige jaren kwamen sommige leden der gemeente op het denkbeeld, om dat oude, dat niet meer aan de behoefte voldeed, door een ander te doen vervangen; en de pogingen, daartoe aangewend, werden door vrijwillige inschrijvingen met zulk eenen gelukkigen uitslag bekroond, dat de daartoe uit kerkvoogden en kerkenraad benoemde commissie met hare bemoeijingen konde voortgaan. Het werk werd aangenomen door den heer Johann Heinrich Holtgrave, orgelmaker hier ter stede, wiens ijverige pogingen een speeltuig daarstelden, dat de goedkeuring van de daartoe verzochte examinatoren volkomen mogt wegdragen, blijkens het daarvan afgegevene attest, luidende als volgt: » De ondergeteekenden, door wel edele heeren kerkvoogden der hervormde gemeente te Deventer benoemd tot examinators van het nieuw gemaakte orgel in de groote kerk aldaar door den heer Johann Heinrich Holtgrave, hebben, na gedaan naauwkeurig en onpartijdig onderzoek, bevonden, dat gezegd orgel, in alle deszelfs deelen zoo wel als in zijn geheel, volkomen aan het doel en bestek beantwoordt, en dat dit werk onder de fraaiste orgels in ons land mag genoemd worden; dat bij het onderzoek is gebleken, dat, in aanmerking genomen de som waarvoor zulk een werk geleverd is, niet winzucht, maar ambitie den kunstenaar in zijn werk bestuurd heeft. Hem kunnen de ondergeteekenden niets anders dan den meesten lof toezwaaijen, zoowel wegens het uitmuntende van dit zijn eerste werk van dezen aard, als wegens de onbekrompenheid, waarmede het bearbeid is, en terwijl zij wel edele heeren kerkvoogden geluk wenschen met de voltooijing van dit sieraad der kerk en der stad, achten zij den maker allerwegen de ruimste aanbeveeling waardig. Deventer, den 14den augustus 1839. » (was get.) S.A. HEMPENIUS , Organist en Stads Muzijk directeur te Zwolle; W.G. HAUFF, Organist aan de Groote Kerk te Groningen.

De inwijding had voor eenen verbazenden toevloed van menschen plaats. De predikant P.C. Molhuijsen sprak bij deze gelegenheid treffend en overeenkomstig den aard der plegtigheid, naar aanleiding van 1 Kon. 8 vs. 18, Gij hebt welgedaan, enz. Het orgel werd tot algemeene goedkeuring bespeeld door den heer J. van Tright Jr., organist der kerk, en den heer W.G. Hauff, een der examinatoren en organist in de groote kerk te Groningen. Den volgenden avond werd een orgel-concert gegeven ten voordeele der gereformeerde armen, hetwelk eene som van ƒ 492,00 opbragt, en waarbij de beide heeren examinatoren van hunne bekwaamheden de overtuigendste bewijzen en aan de talrijke schaar het genoegen gaven, om het orgel in deszelfs volle kracht en liefelijkheid te hooren. (Het bestek van dit orgel, zijnde een zestien-voets-werk, is gemaakt door de heeren Bätz en Comp. te Utrecht, bevat vijf en veertig sprekende stemmen, drie handklavieren en een vrij pedaal, en beveelt zich, ook door zijn uiterlijk voorkomen, aan als een sieraad van het kerkgebouw).

Uit Het Vaderland, 11 Mei 1942.

Naar de Stand. verneemt is de Ned. Herv. Gem. van Deventer, door een vorstelijke gift daartoe in staat gesteld, kunnen overgaan in de Groote Kerk een tweede kerkorgel aan te schaffen, dat in de koorruimte zal worden aangebracht ter begeleiding van de vele bijzondere diensten aldaar en de uitvoeringen van de Bachmuziek door het Sweelinckkoor. De orgels zullen gelijk gestemd worden en e.v. ook tegelijk kunnen worden bespeeld.

Externe links

Afbeeldingen

Exterieur

Interieur

De volgende foto's werden alle op 15 maart 2003 gemaakt door Job van Nes, Zaandam.