Handelingen

Lettele, Bathmenseweg 35 - Nicolaas

Uit Reliwiki


Bezig met het laden van de kaart...
Algemene gegevens
Naam kerk: Nicolaaskerk
Genootschap: Rooms Katholieke Kerk
Provincie: Overijssel
Gemeente: Deventer
Plaats: Lettele
Adres: Bathmenseweg 35
Postcode: 7434PW
Inventarisatienummer: 10397
Jaar ingebruikname: 1894
Architect: Riele, G. te
Huidige bestemming: kerk
Monument status: Gemeentelijk Monument


Geschiedenis

opname 1967 © AvD.

Driebeukige neogotische pseudobasiliek met westtoren, beïnvloed door de late Nederrijnse gotiek, kenmerkend in het oeuvre van G. te Riele Wzn. De kerk uit 1894 toont grote overeenkomsten met die van het nabijgelegen Schalkhaar (Deventer), eveneens van G. te Riele, uit dezelfde tijd. De kerk is sinds de bouw in hoofdlijnen niet gewijzigd.
Wel hebben er diverse kleine veranderingen plaatsgevonden, met name in het interieur. De aanbouw tegen de westgevel van de sacristie en de zuidgevel van de kerk is niet authentiek en valt niet onder de bescherming. Oorspronkelijk had de van binnen gestuukte kerk schilderingen op de gewelven.
Op een oude foto van het priesterkoor zijn nog enkele gesjabloneerde randen te zien op de wanden
Ook stonden er meer beelden in de kerk. Onder de banken lagen klinkers, maar de vloer van het priesterkoor en de gangen hadden Belgische mozaïektegels, zoals die nu alleen nog liggen voor de beide zijaltaren.
De mooie nog steeds aanwezige houten banken dateren uit 1928. Vermoedelijk is toen ook de vloer van de kerk gewijzigd in de nu nog aanwezige grote vierkante, rozerode natuursteen tegels. In 1943 waren er te weinig zitplaatsen en werd aan alle banken, volledig in dezelfde stijl, een zitplaats toegevoegd. In 1931 kreeg men toestemming voor de bouw van een doop- en devotiekapel aan weerzijden van de toren. De doopkapel lag, vanuit de kerk gezien, rechts van de toren en was ook vanuit het torenportaal toegankelijk. In de devotiekapel stond het beeld van de Moeder der Smarten. Beide kapellen hebben een voor de jaren ’30 van de vorige eeuw typerende lambrisering van verticaal geplaatste tegels in de doopkapel beige met een zwarte omranding, in de devotiekapel blauw met zwarte omranding.
In 1980 is de doopkapel omgebouwd tot mortuarium en met een halfhoge houtenwand met deuren afgescheiden van de kerkruimte.
Het grote donkerrood met wit marmeren doopvont is toen naar de devotiekapel verplaatst.
Het beeld uit deze kapel staat nu voor de kapel tegen de zijwand van de kerk.
Vanwege vocht in de onderkant van de muren is de kerk in 1960 voorzien van een lambrisering in schoon metselwerk. Daarboven is het stucwerk lichtbeige geschilderd, de gewelfribben in een iets donkerder beige, kolomvoeten en –kapitelen zijn donkergrijs.

De meest ingrijpende wijziging sinds de bouw vond plaats in 1987 met de vernieuwing van het liturgisch centrum.
Tot dan toe had dit een lambrisering van hetzelfde donkerrood met wit geaderd marmer als het doopvont. Deze is vervangen door schoon metselwerk.
De verhoogde vloer is uitgevoerd in zwart marmer. Alleen achter de beide zijaltaren resteert nog een klein deel van de oorspronkelijke lambrisering en ervoor liggen nog de oorspronkelijke gekleurde tegels. In het priesterkoor is het neogotische hoofdaltaar verwijderd en vervangen door een meer naar voren geplaatst sober, maar fraai gedetailleerd wit marmeren altaar. Links daarvoor staat in hetzelfde materiaal en met dezelfde vormgeving een eenvoudige preekstoel (ambo).
Onder het gebrandschilderde raam hangt op de lambrisering een crucifix. Ook communiebank en preekstoel moesten wijken voor de vernieuwing. De vier evangelisten die vroeger op de preekstoel stonden zijn op de consoles tegen de lambrisering van het priesterkoor geplaatst. De beide lichtgrijs geschilderde, neogotische zijaltaren zijn gehandhaafd, links het Maria altaar, rechts het Jozef-altaar. Deze werden in 1984 gemaakt door Gerrit Wassink uit Lettele. De neogotische beelden op deze altaren zijn fraai gepolychromeerd, evenals het beeld van de H. Isodorus met korengarf, schutspatroon van de boeren, dat voor het Maria altaar staat en het beeld van de H. Nicolaas naast de deur naar de sacristie.

Omschrijving

De driebeukige kerk met vijf traveeën, een vijfzijdige koorsluiting, een sacristie en een hoge vierkante toren is opgetrokken in machinale baksteen. Natuursteen is gebruikt voor de bovenrand van de uitgemetselde plint, de afzaten van ramen, blinde vensters en steunberen en de waterlijsten die toren, traptorentje en oost- en westgevel van de zijbeuken geleden. De toren heeft een steile achtkantige spits. Tegen de toren staat aan de zuidkant een vijfzijdig traptorentje oorspronkelijk met torenspitsje, nu onder een plat dak. Aan weerszijden van de toren staan tegen de westgevel de in 1931 gebouwde doop- en devotiekapel, elk vijfzijdig. Tegen de zuidgevel van het koor is met een smal tussenlid de sacristie gebouwd onder zadeldak met een driezijdige sluiting aan de oostzijde. De biechtstoelen in het vierde travee van de beide zijbeuken zijn tussen de steunberen uitgebouwd en hebben een zinken roeven dakje.
De middenbeuk van de kerk heeft een zadeldak met driezijdige sluiting boven het koor, de zijbeuken hebben lessenaardaken. Alle daken zijn voorzien van leien in maasdekking. De goten liggen op de muren die onder de goten over enkel lagen zijn uitgemetseld. De torenspits heeft geen goten. De zijkant van de goten is bekleed met leien, evenals de kleine dakkapelletjes die direct boven de goten op de daken staan. Twee op beide dakvlakken van het middenschip, één op de dakvlakken één op het middelste dakvlak van de koorsluiting. De dakkapelletjes hebben gewolfde zadeldakjes met een piron op het uiteinde van de nok. Ze zijn gesloten met een luik waarboven, in het geveltopje een driepas opening is aangebracht. De torenspits wordt bekroond door een fraai smeedijzeren kruis met torenhaan, de nokpunt boven het koor door een smeedijzeren kruis. Op de beide nokeinden van de sacristie is een smeedijzeren sierpiron geplaatst en op de nokken van de beide kapelletjes een met zink of lood beklede piron.
De vijf traveeën worden gescheiden door steunberen. Ook het koor, toren, de sacristie en de kapelletjes hebben steunberen. Tussen de steunberen van zijbeuken en koor zijn hoge spitsboogvensters geplaatst met gemetselde traceringen, waarvan het figuur in de boogspits, om en om gelijk is. In de westgevel, boven de kapelletjes zijn kleinere vensters aangebracht en in de westgevel van de toren een hoog raam met rozet in de boog. Ook deze ramen hebben gemetselde traceringen, evenals het spitsboog bovenlicht boven de fraaie eikenhouten toegangsdeuren met smeedijzeren beslag. In al deze vensters zijn glas-in-lood panelen geplaatst met verschillende geometrische figuren in pasteltinten. Alleen het middelste raam van de koorsluiting is gebrandschilderd. De sacristie en de beide kapelletjes hebben kleine spitsboogvensters, zonder tracering, met gekleurde glas-in-loodpanelen. In de biechtstoelen en het traptorentje is glas aangebracht achter kleine verticale spleten in de gevel. De bovenste geleding van de traptoren heeft vijf smalle, hoge boogvensters. In de derde geleding van de toren zijn in zuid-, west-, en noordgevel galmgaten aangebracht, spitsboog openingen met een gemetselde tracering en houten schoepen.
Daarboven is, op elk van de vier gevels, een wijzerplaat geplaatst. De overige gevelvlakken zijn gesloten en geleed met blinde bogen en blinde spitsbogen.

Interieur

In de kerk worden de zijbeuken de zijbeuken van het schip gescheiden door tweemaal vier ronde kolommen, die de wanden met spitsboog openingen van de middenbeuk dragen en de vijf traveeën markeren. De kolommen hebben een eenvoudig vormgegeven voet en kapiteel, evenals de halve kolommetjes, tegen de wand daarboven, waaruit de gewelfribben ontspruiten.
Boven de middenbeuk en de zijbeuken zijn kruisrib gewelven aangebracht. Het priesterkoor en het mortuarium hebben half stervormige gewelven met ribben, de huidige doopkapel een half stervormig gewelf zonder ribben. Men komt de kerk binnen via het torenportaal waarin links en rechts deuren leiden naar respectievelijk het mortuarium en de traptoren. Het portaal heeft een betegelde lambrisering, vermoedelijk uit de jaren’30 van de vorige eeuw. Links is boven deze lambrisering de eerste steen geplaatst. Alle deuren in het portaal en ook die in en naar de sacristie zijn fraaie eikenhouten paneeldeuren. In het entreeportaal hebben deze nog het originele smeedijzeren beslag.
De biechtstoelen zijn niet meer als zodanig in gebruik, maar zijn er nog wel en hebben elk drie deuren met rondboog en gekleurde glas-in-lood panelen ook met rondboog. Deze deuren zijn geplaatst in een gestuukt vlak in de gemetselde lambrisering van de kerk en worden beëindigd met een gemetselde korfboog. Vanuit het torenportaal bereikt men via het traptorentje het orgel dat boven het portaal is geplaatst. Hier staat de ruimte van de toren in open verbinding met de kerk en heeft een kruisribgewelf boven het orgel. Het grote raam in de westgevel van de toren verlicht deze ruimte. De onderkant van het raam wordt door het orgel afgeschermd, zodat vanuit de kerk alleen de rozet zichtbaar is.

Orgel

Het orgel uit 1910 gebouwd door Maarschalkerweerd uit Utrecht heeft een fraaie houten kast. Het orgelbalkon kraagt uit in de kerk en wordt ondersteund door gesneden korbelen. Het orgel is in 1997 gerestaureerd.

Literatuur:

Groot, J.H., St. Nicolaaskerk Lettele 1894-1994 gedenkboek honderd jaar parochiekerk, Raalte 1994


Afbeeldingen

Exterieur

Interieur