Handelingen

's-Gravenhage, Westduinweg 194 - Oud-Gereformeerde Gemeente

Uit Reliwiki


Bezig met het laden van de kaart...
Algemene gegevens
Naam kerk: Oud-Gereformeerde Gemeente
Genootschap: Oud Geref. Gemeenten in Nederland
Provincie: Zuid-Holland
Gemeente: 's-Gravenhage
Plaats: 's-Gravenhage (Scheveningen)
Adres: Westduinweg 194
Postcode: 2583AH
Jaar ingebruikname: 1935
Architect:
Huidige bestemming: kerk
Monument status: geen

Geschiedenis

Kerk(je) zonder toren van de Oud-Gereformeerde Gemeente in Scheveningen uit 1935.

In de media

Uit Het Vaderland, 15 Februari 1935.

Gisteravond werd bet nieuwe bedehuis van de Oud-Geref. Gemeente van Scheveningen, verrezen aan den Westduynweg hoek Dr Lelykade aldaar, plechtig in gebruik genomen. Het vriendelijke kerkje, bevattend ruim 400 zitplaatsen, was stampvol, terwijl tientallen buiten moesten blijven staan.

Onder de aanwezigen waren de heeren ds M. Oveiduin, van Dordrecht en J. Zwaan, voorganger van de afd. Opperdoes, benevens afgevaardigden van de gemeenten van Enkhuizen en Giessendam.

De voorganger, ds B. Hennephof, opende den dienst met het doen zingen van Ps. 68 : 10, nadat de dienstdoende ouderling eerst plechtig den Bijbel op den kansel gebracht had. Voorts werd gelezen 1 Kon. 8 : 22—30, waarna de gemeente zong Ps. 132 : 5 en 9. Als tekst koos de voorganger daarop Ps. 27 : 6: »Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden" enz. Sprekende over: »Een dankbaar herdenken van des Heeren daden" werd achtereenvolgens stilgestaan bij: le. dat het vermaant tot ootmoedige blijdschap: 2e. wijst op onzen schuldigen plicht, en 3e. opwekt tot een verheven Psalm.

Nadat spr. eerst stilgestaan had bij de figuur van David, die dezen Psalm heeft gedicht en daarin "personeel" spreekt. Wij kunnen ons de positie van David slechts "historieel" indenken. David echter wist wat bet was in de eenzaamheid rond te dolen. David was geen Christen, die eens per drie weken naar de kerk ging en dan één keer per Zondag. Hij wilde wel elken dag ter kerke om Gods gemeenschap te smaken. In onzen tijd is dat anders. Kerk en wereld gaan samen, maar niet »de kerk staat ten hoofde", maar zij is geworden "ten staarte". David echter verheft zich niet boven zijn medeschepselen. Zoo mogen wij ook ons niet verheffen. Omdat wij een nieuw bedehuls gemaakt hebben, noch onze hand daarom kussen.

David kende een schuldige plicht. Daarin onderscheidt hij zich van de menschen van dezen tijd. In welk verband ds Hennephof een philippica hield tegen de visschers die op Zondag hun netten uitwerpen, bezig zijnde op hun loggers. David hijgde naar Gods tent en daar is het beter dan in de kerk, ook als „verzit" een mensch daar twee banken en twee stoelen! David kwam in zichzelf verloren tot God. Anders is God niet te genaken. David kende banden des doods. Onze tijd weet daar niet van en meent dat als de benauwdheid geweken is, de mensch ook zou bekeerd zijn. De waarheid dat God niet laat varen de werken zijner banden, is voor menigeen een „ruststoeltje", een drogreden waarmede men verloren gaat. God echter kwam David „te arresteeren". God moet ons niet bekeeren, maar ons hart moet God zoeken. Wij moeten tranen kennen niet over onze "bestigheid" maar over onze zonden. We moeten niet „ons jasje" uitdoen en buigen voor allerlei ongedierte". Al zijn je zonden als scharlaken, God zal ze maken als witte wol. Bedenk echter dat het nog maar de belofte is zonder de vervulling en velen leggen op die belofte het hoofd gerust neer. God echter moet de mensch ontdekken aan zijn zonde. Hij weet ze nog beter dan wij, in verband waarmede spr. de jonge menschen waarschuwde voor de zonde "in het donker en op de paden".

God is rechter en de rechter velt het vonnis en niet de advocaat. David zingt een lied den Heere. Dat doen ze tegenwoordig ook, aldus deze voorganger door de radio, in welk verband ds. Hennephof een weinig uitpakte tegen de radio, die meent dat de psalmen de lucht in moeten gegooid, opdat God er anders een vergeten zou.

Paulus droeg de litteekens van Jezus Christus in zijn lichaam. Zoo moeten wij de litteekenen van onze zonden en verdorvenheden dragen in ons lichaam.

In het slotstuk van zij preek wees spr. er op, dat ook zijn kring de bevinding wordt gekend. Maar dat is een andere dan die van duizenden Christenen. Bekeering is noodig, in welk verband spr. speciaal zich richtte tot de aanwezige „kindertjes." In de vorige vergaderplaats zaten we, aldus ds. Hennephof. „knusjes bij elkander." Nu hebben we ruimte gekregen, maar moeten ons er voor wachten ons aan den schijn te vergapen. Te sterven met een Psalm of Bijbeltekst op de lippen baat niet als dit niet gekend wordt in het harte. „Daarom bedenk wat tot je vrede dient want ik heb", aldus ds. Hennephof. "er niet één over voor het verderf." Napraten kunnen de papegaaien ook en die kunnen we leeren vloeken en zegenen. Salomo bracht er een schip vol van mee.

Spr. wilde de harten zijner hoorders volpreeken en als er maar één ziel door spr. ambtelijk werk als een parel mag worden gehecht aan Jezus Middelaarskroon, is spr.'s loon groot. Zoo moge God een ieders hart omkeeren om er de zonden een voor een uit te nemen. Zoo loopt het alles uit in de aanbidding van den Zoon. Amen.

Na de predicatie richtte ds. Hennephof een speciaal woord van dank tot zijn catechisanten voor de betoonde offervaardigheid, bij de installatte van het bedehuis, alsmede tot ouderling de Niet voor zijn vele bemoeiingen, hem Gods zegen toebiddend.

Met het zingen van Ps. 84 : 5 eindigde de godsdienstoefening.


Afbeeldingen