Handelingen

Amsterdam, Stadhouderskade 55 - Hubertuskapel

Uit Reliwiki


Bezig met het laden van de kaart...
Algemene gegevens
Naam object: Sint Hubertuskapel
Genootschap: Rooms Katholieke Kerk
Provincie: Noord-Holland
Gemeente: Amsterdam
Plaats: Amsterdam
Adres: Stadhouderskade 55
Postcode: 1054ES
Inventarisatienummer: 04951
Jaar ingebruikname: 1890
Architect: J.H. Schmitz
Huidige bestemming: door brand verwoest
Monument status: geen

Geschiedenis

Dit was een architectonisch en cultuurhistorisch buitengewoon interessante neogotische kapel zonder toren. Het complex heette het Van Nispenhuis.

Buiten gebruik als R.K. kapel in 1970, daarna in gebruik als opslagruimte, met name van kleding van de Nederlandse Opera Stichting.

In 1970 is door Adema’s Kerkorgelbouw / Hubert Schreurs het orgel overgeplaatst naar het, toen nieuwe, kerkgebouw "De Hoeksteen" van de R.K. parochie St. Willibrordus buiten de Veste, aan de Van Ostadestraat. (In ongeveer dezelfde tijd begon de sloop van de grote, neogotische St. Willibrorduskerk) .

De voormalige kapel, met daarin opgeslagen kleding, en het Van Nispenhuis zijn door brand verwoest in 1977. Pas enkele jaren later zijn de restanten gesloopt.

Om de hoek van de Stadhouderskade, aan de Frans Halsstraat, is nog een klein, gerestaureerd, neogotisch onderdeel van een poort naar het Van Nispenhuis te zien.

Geschiedenis. Bron: demodernetijd.nl. Artikel uit 1977 van de gezaghebbende architectuurhistoricus en Cuyperskenner Guido Hoogewoud

Op Internet is dit belangrijke artikel met enkele uiterst interessante afbeeldingen terug te vinden. Hier alleen de tekst.

Het Van Nispenhuis: "God zegene het eerzame handwerk"

Met deze wens begroetten de leden van de St. Jozefsgezellenvereniging elkaar, die hun centrale ontmoetingspunt hadden aan de Stadhouderskade te Amsterdam. Daar stond tot voor kort de trotse negotische burcht van het Van Nispenhuis. Bij de brand in de nacht van 10 en 11 februari 1977 kwam er definitief een einde aan de stoffelijke resten van een typisch 19de eeuws instituut, dat als zodanig een tiental jaren ter ziele was. Typisch 19de eeuws vanwege de royale opzet van het gebouw en de verbondenheid met de katholieke emancipatie. De geruchtmakende brand en sloop daarna herinnerde de toeschouwers weer aan de oorspronkelijke functie, terwijl men ook gewaar werd, hoe snel anno 1977 dingen in het vergeetboek raken.

Een voormalige katholieke krant als de Volkskrant besteedde slechts enkele regels aan de brand, terwijl het nog maar tien jaar geleden is, dat Ben Kroon naar aanleiding van het 100-jarig bestaan van de vereniging opmerkte: "Er zal de komende week wel voor een eeuw worden bijgetekend in de trotse burcht aan de Stadhouderskade, waar een compleet ministerie van C.R.M. huist, overgoten met koffie en wierook."(1)

Niets bleek minder waar, want de St. Jozefsgezellenvereniging deelde het lot van zovele andere instellingen, die ten onder gingen door het ontstaan van nieuwe gedragspatronen en de afkalving van het Rooms-katholieke machtsblok. De gezellen van St. Jozef hebben iets te maken met het bouwvak, immers St. Jozef is de patroon van de timmerlieden. Het instituut aan de Stadhouderskade zou men kunnen zien als een product van de verzuiling; een 19de eeuwse poging om de gilden te doen herleven, maar het was meer dan dat. Toen op 4 januari 1868 Mr. J.H.W. van der Biesen en architect J.H. Schmitz de Gezellenvereniging oprichtten, werd de volgende verklaring uitgegeven: "In Amsterdam is op den 4 januari 1868 opgericht door den Weledele Heer J.H.W. van der Biesen een collegie onder de zinspreuk St. Jozefs-Gezellenvereniging, hetwelk zal bestaan uit jongelieden van de R.C. godsdienst, met het doel om door eene onderlinge samenkomst elke zaterdagavond van 19.30-22.00 zich te doen oefenen in bouwkundig en handtekenen, of zich te veraangenamen, hetzij met lezen, of andere vermakelijkheden, zoals dammen of schaken of door voordrachten onder elkander te doen". (2)

Blijkt hier allereerst bezorgdheid uit voor de opleiding en de ontspanning van jonge handwerkslieden; daarvoor zou men niet speciaal een nieuwe vereniging hebben hoeven oprichten, immers in 1854 was eveneens in Amsterdam opgericht de Maatschappij voor de Werkende Stand, die zich eveneens ten doel had gesteld om de "onmisbare stand van de handwerklieden uit zijn zinkende staat op te heffen, en met vereende krachten dien stand als een grondzuil der maatschappij weder tot die hoogte te voeren, waarop hij eenmaal bij onze voorouders gestaan heeft en alsnog aanspraak maken kan". ( 3 )

Voor wat dit betreft waren de St. Jozefsgezellenvereniging en de Maatschappij voor de Werkende Stand verwant, maar de grondslag van de Gezellehvereniging werd verder uitgebouwd in corporatieve zin door jhr. H.C.J.M. van Nispen tot Sevenaer, kapelaan van de v.m. St. Catharinakerk aan het Singel, die door zijn pastoor Van Luenen werd aangewezen om de Gezellenvereniging verder op te bouwen. Hij deed het met verve. Van Nispen had het timmervak tot zijn hobby gemaakt en had altijd een kistje met gereedschap bij zich, zo gaat het verhaal. In zijn gedachtenwereld stond hij onder invloed van de duitse schoenmakersgezel Adolf Kolping, die, eerst op latere leeftijd tot het priesterschap gekomen, zich de zorg aantrok van de vele jonge, van hot naar her trekkende en werk zoekende handwerkslieden, die hij een veilig onderdak wilde geven, ver van de verlokkingen van kroegen en ander kwaad. Daartoe had Kolping in Elberfeld de Katholische Gesellenverein opgericht. Van Nispen verenigde gezellen en patroons in één vereniging, die niet alleen onderdak verschafte, maar veel meer dan dat in Duitsland het geval was, ook zorg droeg voor de geestelijke ontwikkeling van de handwerksman, opdat hij door meer kennis hoger kwam op de maatschappelijke ladder, en zijn rol als christelijk huisvader kon vervullen. De gezellenvereniging werd aldus een koepel boven een eenvoudige en overzichtelijke maatschappij, die rustte op de pijlers Kerk, Gezin en Patroons. Voorwaarde voor een dergelijke corporatieve instelling, is dat de klassenstrijd uitgebannen is, of althans ontkend wordt.

Hoewel Van Nispen een scherp oog had voor de demoraliserende invloed van het 19de eeuwse kapitalisme op de mens (4), zag hij het enige mogelijke alternatief in de verheffing van het ambacht, waardoor de arbeider weer zelfrespect zou krijgen. Deze hang naar de middeleeuwse gilden had Van Nispen gemeen met mensen als Cuypers, en zijn grote Franse voorbeeld Eugêne Viollet-le-Duc (1814-1879), alsmede A.W.N. Pugin (1812-1852) John Ruskin (1819-1900) en William Morris (1834-1896), die allen hoopten, dat uit de studie van de middeleeuwse architectuur en de herleving van het ambacht een nieuwe architectuur geboren zou worden, waarin de ambachtsman weer een belangrijke rol zou vervullen. Van Nispen karakteriseerde de patroon-arbeider verhouding als een vader-zoon verhouding, die als afspiegeling van de God-mens verhouding een natuurlijke plaats had in het wereldbestel. De ontwikkeling van het socialisme wees hij dan ook af. In punt 2 van het programma van de Gezellenvereniging kan men lezen: "Door woord en daad brengt de Vereniging haar leden bij het begrip van beroepsarbeid in tegenstelling tot het socialistische begrip van arbeid-alleen om loon en zij legt daarmede de morele grondslag voor een nieuwe opbouw van het economische en sociale leven, n.l. op het beginsel der beroepsstanden". In de uitwerking van het godsdienstig program leest men: "Het beroep is voor de Gezellenvereniging allereerst en vooral een roeping in godsdienstige zin. Ieder weet, dat hij staat op de plaats, waar hij volgens de bestemming van Gods Voorzienigheid zijn doel moet bereiken. De beroepsarbeid van dit leven krijgt zo naast en boven zijn tijdelijk doel van productie een zedelijke waarde en een betekenis voor de eeuwigheid". (5)

Een dergelijk vastomlijnd wereldbeeld, waarin de overheid optrad als plaatsbekleder van God, hield het risico in dat men beschuldigd kon worden van bescherming van de status-quo, en dat gebeurde dan ook. (6)

Daar school ook wel waarheid in gezien Van Nispens uitspraak dat hij zich op de handwerksstand had gericht, omdat van die kant het grootste gevaar viel te duchten voor de maatschappij , en voor die stand zelf. ( 7 ).

Hieruit valt dan ook Van Nispens houding te verklaren, dat hij, toen de Sociaal-Democratische Bond hem in 1890 uitnodigde om een lezing te komen houden, hij deze afwees, met deze motivatie: "dat de aanslag op de objectieve sociale orde vermetel was, en dat men niet tegen de sociale orde, maar tegen het bederf daar in moest optreden". ( 8)

Van Nispen bleef zich tot zijn dood in 1892 bezighouden met het "sociale vraagstuk". (9) Het huis, dat Van Nispen zich liet bouwen, liet eerst nog op zich wachten, nadat eerdere pogingen om de kerk "de Papegaai" aan de Kalverstraat voor dat doel aan te kopen, op een mislukking waren uitgelopen. In 1875 kon de Gezellenvereniging overgaan tot.aankoop van de voormalige buitenplaats "Rust Lust" aan de Stadhouderskade. Van Nispen was er de man niet naar om zich door een architect de wet te stellen, en hoewel er geen bewijzen voor zijn, valt er veel te zeggen voor de stelling dat Van Nispen zelf, wellicht geassisteerd door bestuurslid Schmitz, de bouwplannen ontworpen heeft. (10)

Zo ontstond een gebouw op de plattegrond van een grieks kruis, waarvan het middengedeelte dienst deed als feestzaal, en waar in de hoofdarm van het kruis direct de St. Hubertuskapel op aansloot. De zijarmen fungeerden als vergaderruimten. In deze schikking van de ruimten werd de maatschappijvisie van de Gezellenvereniging uitgedragen, volgens welke Kerk en Maatschappij elkaar moeten doorkruisen om tot een nieuwe orde van "burgers en huisgenoten" te komen. Trots verhaalt Van Nispen: "Het huis der St. Jozefs~Gezellenvereniging moest in zijn uitwendige vorm, in bouwstijl en bewerking der onderdelen, een verheven, min of meer geheimzinnige waarheid uitdrukken. Het moest een gebouw zijn vol symboliek, de vertolking naar buiten toe van inrichting en doel der vereniging". (11)

Het Van Nispenhuis werd gebouwd in een neogotische stijl, die herinnert aan de rijke baksteenarchitectuur van steden als Lübeck, Dantzig en Rostock, hoewel Van Nispen het zelf noemt "De Nederlandse gotische stijl voor burgerlijke gebouwen". (12)

Deze uitspraak is enigszins merkwaardig, want in 1876 waren er nog maar weinig burgerlijke gebouwen in neogotiek gebouwd. Dit gebeurde pas tegen het einde van de eeuw door rijksbouwmeester C.H. Peters, die talrijke neogotische postkantoren ontwierp. Het Amsterdamse Centraal Station uit 1881/1889 en het Rijksmuseum uit 1877/1885 van Cuypers, zijn geen puur neogotische bouwwerken, vermengd als zij zijn met elementen van de 17de eeuwse Hollandse Renaissance. Cuypers zelf heeft, hoewel hij bestuurslid der Gezellenvereniging was, en vele door Van Nispen opgeleide bouwvakkers onder zijn hoede gehad moet hebben, niet voor Van Nispen willen werken. Want toen in 1889 de Vereniging de kans had om het gebouw naar de Stadhouderskade toe te vergroten, schreef zoon ir. Jozef Tb. J. Cuypers namens vader Pierre: "Het is voor ons beter, om niet als bouwheer op te treden, maar als adviseur. De wijze, waarop het ontwerp tot stand is gekomen, heeft duidelijk laten zien, dat om iets uit te voeren, wat éên geheel wil zijn, ook één persoon in volle vrijheid daarover moet beslissen. Ten einde uw gedachten op de meest volledige wijze in de bouw te verwezenlijken, lijkt het ons de beste weg om over te gaan tot de aanstelling van een gesalarieerde tekenaar, volledig op de hoogte van de uitvoering, om onder uwe leiding de werktekeningen te kunnen opzetten. Om misslagen en constructiefouten te voorkomen, zullen wij vóór dat ze uitgevoerd worden, gaarne geheel belangeloos als adviseur die tekeningen komen nazien en in overleg met u de nodige wijzigingen aanbrengen". (13)

Met deze uitspraak gaf Jos Cuypers niet bepaald een vleiend oordeel over het ontwerp, dat overigens in geen enkel architectuurblad besproken is. De bespreking door Van Nispen in de Katholieke Illustratie bleef de enige publicatie. Maar ondanks de minder belangrijke architectuur ontstond er toch een uniek gebouw met een kapel boven de pastorie, en met een forse gevel aan de Stadhouderskade, fijn van detaillering, en met de beelden van Maria en Jozef in de gekanteelde topgevel, ter weerskanten van de Drieëenheid. Het inwendige van de kapel, had, zoals de foto toont, een ijzig karakter, met gemetselde gewelven op uiterst dunne gietijzeren pijlers. Deze ruimtevorm doet eveneens sterk denken aan de slanke hallenkerken van het land, waar op Van Nispens vereniging was geënt, waardoor er een eenheid ontstond met de uitwendige vormgeving. De toepassing van gietijzer betekende wel een streep door de uitspraak van Van Nispen, die in de beschrijving in de Katholieke Illustratie nog trots had medegedeeld, dat er in het gebouw uitsluitend ambachtelijk was gebouwd. De gebrandschilderde vensters in de voorgevel uit het atelier van Geuer, die het tot de brand hebben uitgehouden, stelden de hiërarchie van de kerk voor. Evenzo was de grote feestzaal voorzien van fresco's, die de heilzame invloed van de kerk op de maatschappij in beeld brachten, alsmede de religieuze geest van de verschillende standen als beste oplossing van de sociale kwestie. In de vensters: Christus brengt het individu tot welvaart, geluk en kundigheid. In het Van Nispenhuis hebben zich heel wat activiteiten afgespeeld; zo werden er in de crisistijd van allerlei cursussen gegeven om de werkeloze bouwvakkers aan het werk te houden, en werden er in opdracht van de gemeente Amsterdam hekwerken voor de AmsterdamseSchool-bruggen gesmeed.

Het van Nispenhuis heeft de veranderingen binnen het verzuilde Nederland niet overleefd en beleefde de laatste dagen als werkruimte van de Ned. Operastichting en Theater Globe.

1) "De Tijd", 24-12-1967.

2) Notulenboek der St. Jozefsgezellenvereniging, Gemeentearchief A'dam.

3) Jaarverslag van de Maatschappij voor de Werkende Stand, 1855.

4) "De arbeider is tot enkel koopwaar verlaagd, die de kapitalist voor den minsten prijs tracht te kopen", uit H.J.M. van Nispen tot Sevenaer: "Uitvoerige mededelingen omtrent het gewichtig werk der katholieke Gezellenvereniging".

5) "De Gezellenvereniging, doel, programma, geschiedenis", brochure zonder datum en plaats van uitgave.

6) zie: "Het Centrum", 3-10-1892, waarin Van Nispen zich verdedigt tegen de aantijging, dat de Gezellenvereniging niet de geestelijke ontwikkeling der arbeiders, maar de onderdrukking van ieder onderzoek ten doel heeft.

7) "De katholieke Illustratie", 16de jaargang ( 1883 ), no. 24.

8) Brief van Van Nispen aan de Sociaal-Democratische Bond, 1 september 1890.

9) zie zijn brochures: "Het ideaal der Kunst met betrekking tot de maatschappelijke orde, een redevoering, gehouden op het Nationaal Congres voor bouwkunst in 1892 te Amsterdam, "De sociale kwestie", een lezing, gehouden in de Piusvereniging, in overdruk verschenen in "De Wachter", 1879, no. 7.

10) zoals in: "De St. Jozefsgezellenvereniging te Amsterdam", een brochure naar aanleiding van het 100-jarig jubileum in 1948.

11) "De symboliek en het doel van het St. Jozefsgezellenhuis te Amsterdam" door H.J. van Nispen tot Sevenaer, rector en centraal-president, Amsterdam, 1878.

12} zie noot 7.

13) Brief van ir. Jos Tb. J. Cuypers aan rector Van Nispen, 16-2-1889.

Het archief van de St. Jozefsgezellenvereniging bevindt zich in het Gemeentearchief van Amsterdam.

Guido Hoogewoud

Afbeelding