Handelingen

Arnhem, Van Slichtenhorststraat 36 - O.L. Vrouw Onbevlekt Ontvangen

Uit Reliwiki


Bezig met het laden van de kaart...
Algemene gegevens
Naam kerk: O.L. Vrouw Onbevlekt Ontvangen
Genootschap: Rooms Katholieke Kerk
Provincie: Gelderland
Gemeente: Arnhem
Plaats: Arnhem
Adres: Van Slichtenhorststraat 36
Postcode: 6821CL
Inventarisatienummer: 11013
Jaar ingebruikname: 1911
Architect: Welsing, W.G.
Huidige bestemming: inbouw appartementen
Monument status: Gemeentelijk monument


Geschiedenis

Late neogotische kerk met dubbeltorenfront.

In de O.L. Vrouw Onbevlekt Ontvangen (1911, W. G. Welsing) is 28 mei 1995 de laatste kerkdienst gehouden. Aanvankelijk dreigde sloop. Portaal Woningstichting heeft de kerk gekocht en er 32 huurwoningen in laten bouwen. April 2001 was het project klaar. De in 1995 in één van de bijgebouwen, rechts van de kerk, ingerichte kapel is in 2005 gesloten. (56-06/59-08)

Inleiding

Tijdens sloop- en ontmantelingswerkzaamheden in het interieur van de O.L.V.kerk, een en ander ter voorbereiding van de inbouw van diverse appartementen, zijn verschillende onderdelen van de oorspronkelijke afwerking van het kerkgebouw in het zicht gekomen. Deze waren door later toevoegingen en overschilderingen aan het oog onttrokken en niet of slechts deels zichtbaar ten tijde van het eerdere inventarisatiebezoek ten behoeve van plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst. Onder meer kon worden vastgesteld, dat de oorspronkelijke gewelfschilderingen nog voor een belangrijk deel bewaard zijn gebleven.

Korte omschrijving

Voormalig kerkgebouw, gelegen aan de Van Slichtenhorststraat binnen de wijk Sint Marten. Het gebouw behoort tot een zogenaamd 'katholiek eiland' dat behalve de kerk bestaat uit een pastorie en een kosterij met patronaat. De gebouwen zijn gerangschikt rondom een kerkplein dat terugwijkt vanaf de straat. Tegenover de kerk, aan de overzijde van de straat, een schoolgebouw. Het godshuis werd tezamen met de pastorie en kosterij/patronaat gerealiseerd in de periode 1910-1911. Architect was de Arnhemmer W.G. Welsing (1858-1942). Hij voerde de kerk uit in een traditionalistische stijl met neoromaanse en neogotische kenmerken. De Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekte Ontvangeniskerk is een driebeukige basilicale kruiskerk met tweetorenfaçade. Het middenschip is breder dan de zijbeuken en wordt afgesloten door een rechthoekig koor. Het schip wordt van het koor gescheiden door een transept. Aan weerskanten van het koor telkens een rechthoekige zijkapel. Aan weerskanten van de zijbeuken telkens drie zijkapellen. Aan de achterzijde van het gebouw bevindt zich in de zuidwesthoek de rechthoekige sacristie. De gevels zijn opgetrokken in donkerrode baksteen in kruisverband. Bouwkundige details zijn uitgevoerd in rode Wesersteen. Schip, transeptarmen en koor hebben een zadeldak met Maaslandse leidekking. De torens hebben tentdaken met identieke leidekking. De zijbeuken, zijkapellen en sacristie hebben een plat dak. Diverse dakkapellen. Merendeels gekoppelde spitsboogvensters, binnen de zijbeuken gecombineerd met een oculus. De op de zijbeuken aansluitende kapellen hebben hoefijzer- en rondboogvensters. Binnen de voorgevel een rozetvenster. Alle vensters zijn gevuld met glas-in-lood. De voorgevel (oostzijde) is symmetrisch ingedeeld en heeft twee identieke klokkentorens die zich op de hoeken bevinden. Daartussen een licht terugwijkend geveldeel met topgevel. Binnen de middenas en de torentraveeën een ingang die is opgenomen binnen spitsboogarchivolten met kolonnetten. De centrale ingang bestaat uit twee deuren met daartussen een trumeau. Aan de bovenzijde van de archivolten een wimberg met baldakijnnis en daarin het beeld van O.L.Vrouw Onbevlekte Ontvangenis (Immaculata). Ook boven de flankerende ingangen een wimberg. Het centrale deel van de gevel bevat boven de ingangspartij een reeks van zeven gekoppelde spitsboogvensters. Hierboven een rozet. De bovenste geleding van de torens bevat gekoppelde galmgaten. De rechter zijgevel (noordzijde) sluit langs de toren aan op de belendende kosterij. Tussen kosterij en transept de doorlopende zijgevels van de lagere kapellenreeks, zijbeuk en middenschip. De zijbeuk loopt door langs de oostzijde van het transept. Aan de westzijde, binnen de oksel met het koor een zijkapel. De gevels van zijbeuk, middenschip, transept en westelijke zijkapel worden geleed door steunberen. Binnen de zijgevels van de lage kapellenreeks hoefijzervensters en één rondboogvenster. De zijbeuken en westelijke zijkapel hebben dubbel gekoppelde spitsboogvensters met centraal aan de bovenzijde een oculus. De middenschip- en transeptgevels bevatten tripletvensters. In de kopgevel van het transept vijf hoge, gekoppelde spitsboogvensters. De gevels worden boven afgesloten door een muizentandlijst. De linker zijgevel (zuidzijde) is vergelijkbaar met de rechter zijgevel. In de oksel van transept en koor ook hier een zijkapel. Hierop sluit langs het koor een sacristie-uitbouw aan met rechthoekige vensters. Aan de torenzijde sluit de zijgevel aan op de belendende pastorie. De achtergevel (westzijde) wordt centraal bepaald door de naar voren springende koorpartij. Deze heeft in de kopgevel een vergelijkbare invulling als binnen de kopgevels van de transeptarmen.

Het interieur bestaat uit drie beuken die van elkaar worden gescheiden door een reeks van vierkante pijlers met geprofileerde basementen. De pijlers worden met elkaar verbonden door spitsbogen en hebben aan de bovenzijde een aansluitende kolonnet. De pijlerreeksen worden voortgezet aan de oostzijde van de transepten. Aan de westzijde bevatten deze een aansluitende zijkapel. Binnen de zijgevels van het schip telkens drie aansluitende zijkapellen met een segmentboogvormig tongewelf dat haaks staat op het schip. Schip, transept en koor zijn overwelfd door spits toelopende, houten tongewelven die via dito steekkappen aansluiten op de venstertraveeën. In de viering een achtdelig kruisribgewelf, eveneens uitgevoerd in hout. De zijbeuken zijn voorzien van gepleisterde kruisgewelven. De gordelbogen sluiten hier aan op halfpilasters. Binnen de oostwand een zangerstribune die is opgenomen binnen een spitsboogarcade. Hieronder drie getoogde ingangen die toegang verlenen tot het kerkportaal. Diverse overige ingangen, voorzien van deuren met paneelverdeling en vellingkanten. De gehele kerkruimte is voorzien van tegelvloeren. Binnen de vensters decoratief glas-in-lood. De vensters binnen de kopgevels van transept en koor (telkens vijf gekoppelde exemplaren) bevatten een beglazing die de Vijftien Rozenkransgeheimen voorstelt (vijf Blijde, vijf Droevige en vijf Glorievolle Geheimen). Deze werden geleverd door het atelier Nicolas uit Roermond. De koorramen dateren van 1912 (Frans Nicolas), de transeptramen werden vervaardigd in 1936 (Joep Nicolas). In de sacristie authentieke polychromering op plafonds en tegen wanden, in Art deco-stijl. De beschildering betreft diverse motieven en teksten die betrekking hebben op de Mariathematiek en de sacristiefunctie.

Verslag bouwhistorische verkenning

Constructieve kenmerken en interieurafwerking kerk en sacristie Tijdens de voorbereidingen tot herinvulling van het hoofdgebouw ten behoeve van woonappartementen, kwamen diverse authentieke elementen in het zicht die een indruk geven van de constructieve opbouw en de afwerking van het gebouw.

Constructieve kenmerken

Tengevolge van diverse doorbraken binnen de wanden werd de constructieve opbouw door middel van spouwmuren zichtbaar. Hieruit blijkt dat waarschijnlijk het gehele gebouw is opgebouwd met een spouwmuur. Een goed beeld van de spouwmuurconstructie werd tijdens het onderzoek verkregen in de oostmuur van de zuidelijke transeptarm (interieur).

Interieurafwerking kerk en sacristie

Tegelvloeren

Door het verwijderen van diverse historische interieurelementen kwamen enige tegelvloeren in het zicht die dateren uit de beginperiode van het gebouw. Dit was onder andere te zien in de zijkapellen die aansluiten op de zijbeuken. Ter plekke van de verwijderde biechtstoel in de middelste zijkapel aan de noordzijde van het schip, was een sobere zwarte tegelvloer zichtbaar. Binnen het transept kwamen bij het verwijderen van houten vlonders rode tegelvloeren in het zicht.

Polychromie op wanden en gewelven

Tengevolge van de langdurige leegstand van het gebouw, waardoor jongere verflagen zijn losgeraakt, alsmede door het verwijderen van enige interieurelementen kwamen onder latere verflagen delen van de authentieke polychromering vrij. De houten gewelven van middenschip, transept, viering en koor waren geheel beschilderd. Het merendeel van de beschildering betreft neogotische architectuurkaders en fantasiemotieven. Binnen het schip en de transeptarmen zijn de kaders geschilderd tegen een crèmekleurige ondergrond. Doordat het gewelf via houten profiellijsten onderverdeeld wordt in smalle traveeën, is er per travee telkens een dubbele wimberg die langs genoemde lijsten voortkomt vanuit een smalle kolonnet. De wimbergen en kolonnetten zijn uitgevoerd in geel met donkergroene lijsten. Elke wimberg bevat centraal een rode driepas en is aan de onderzijde voorzien van een spitsboog met driepas. De driepassen raken elkaar via een 'sluitsteen' in de vorm van een in geel geschilderde kruisbloem. Per gewelfhelft zijn de wimbergen gericht naar de profiellijst die het gewelf in de lengterichting in tweeën verdeelt. Aan weerskanten van deze lijst bevinden zich doorlopende sierbanden met fantasiemotieven in de vorm van loofwerk en vlechtpatronen (groen, geel, rood).

Binnen de koorpartij zijn de architectuurkaders op een rijkere wijze uitgevoerd. Hier zijn per gewelftravee telkens drie wimbergen zichtbaar, welke voortkomen vanuit ranke kolonnetten met bladkapitelen. De wimbergen hebben aan de onderzijde veelpaslijsten en zijn aan de bovenzijde voorzien van hogels en kruisbloemen. De kleurenstelling betreft goudgeel en grijs. Aan de bovenzijde sluiten de wimbergen aan op een stadsgezicht met diverse in middeleeuwse trant vormgegeven gebouwen die zijn voorzien van kapitelen en torens. Voorts enige palmbomen. De gebouwen hebben een op de wimbergen aansluitende kleurenstelling (grijs, crème). De ondergrond van het stadsgezicht is in rood en blauw uitgevoerd. Binnen de steekkappen waarmee de koorgewelven aansluiten op de venstertraveeën, bevinden zich vergelijkbare sierbanden als in het middenschip (loofwerk, vlechtmotieven). De geboortezône van de gewelfvelden is binnen het koor voorzien van geschilderde griffioenen (grijs) tegen een olijfgroene ondergrond. Voorts een aansluitende sierlijst met loofwerk (geel) en rozetten (geel, rood) tegen een olijfgroene ondergrond. Boven de sierlijst bevindt zich de aanzet van de hierboven genoemde wimbergkolonnetten.

Binnen de op de zijbeuken aansluitende zijkapellen werd de polychromie van wanden en gewelven zichtbaar. Op lambrizeringsniveau waren rode wandvelden gerealiseerd met aan de bovenzijde een lijst met sjabloonmotieven (rode rozetten en zwarte fantasiemotieven). Boven deze lijst een groene parelrand. Binnen de linker en middelste zijkapel aan de noordzijde van het schip is te zien dat een eerder aanwezige polychromie later is overgeschilderd met een jongere polychromering. Dit is zichtbaar ter plekke van verwijderde biechtstoelen. Waar deze hebben gestaan zijn tegen het bovenste gedeelte van het rode lambrizeringsveld drie donkergroene vakken geschilderd. Het centrale vak is kleiner dan de flankerende. Het bovenste gedeelte van de wanden is crèmekleurig geschilderd en bevat tekstbanden (tekstband zichtbaar in de genoemde middelste kapel). De gewelven zijn in blauw geschilderd met sierlijsten in goudgeel en crème. De linker zijkapel aan de zuidzijde van het schip heeft op het gewelf (geboortezône) sierbanden met loofwerk en vlechtpatronen als op de schip- en transeptgewelven. De toegepaste kleuren zijn ook hier rood, geel, olijfgroen. De wanden van deze kapel zijn vergelijkbaar geschilderd als in de hierboven beschreven zijkapel, maar hebben langs de hoeken in donkergeel geschilderde krulmotieven. Deels zichtbaar tegen de kopwand (links en rechts) zijn tekstbanden met loofwerk. De oostelijke wand van het zuidtransept vertoont uiterst links een gedeelte dat olijfgroen is beschilderd en voorzien is van sobere sjabloonmotieven in donkergroen en rood. Op de zangtribune, ter plekke van de orgelkasten, een gepolychromeerde lambrizering in blauw ('geborstelde' structuur) met aan de bovenzijde een sierlijst met zaagtandmotief (geel en wit) en stippen (roodbruin).

Binnen de sacristie is behalve de reeds bekende schilderingen, boven de toegang tot het koor de beschildering zichtbaar geworden tegen het daar aanwezige houten plafond. De kinderbinten van dit plafond zijn in lichtbruin geschilderd met vellingkanten in goudgeel. De vakken tussen de kinderbinten bevatten geometrische patronen met telkens in vier delen verdeelde vierkante vakken. Twee kwartieren zijn in goudgeel geschilderd met een Franse lelie. De overige twee kwartieren zijn in tweeën verdeeld en bevatten enerzijds een zwart veld en anderzijds een 'zebrapad'-patroon. Het plafond wordt in twee helften verdeeld door een doorlopende sierband met cirkelvormen waarin een kruismotief, alsmede krul- en loofmotieven (witgrijs, rood, blauw, geel). In de bijsacristie een vergelijkbaar plafond waarvan de kinderbinten eveneens in lichtbruin en goudgeel zijn uitgevoerd. De plafondvakken zijn ditmaal grijsblauw geschilderd.

Wijdingskruisen

In het schip bevinden zich nog enige wijdingskruisen. Deze zijn uitgevoerd in de vorm van terracottategels met goudgele kruisvormen tegen een rood fond. Langs de randen van de tegels een gele parellijst.


Conclusie

De in 1910-1911 gebouwde Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de Van Slichtenhorststraat werd gerealiseerd in een periode dat Arnhem zich sterk uitbreidde. De betreffende wijk Sint Marten is een voorbeeld van één van de nieuwe volksbuurten die op het einde van de 19de eeuw en omstreeks de eeuwwisseling ontstonden. De bouw van de kerk met bijbehorende bebouwing in de vorm van een pastorie en een kosterij/patronaat, speelde in op de katholieke behoeftes binnen de wijk. In katholiek Arnhem kan de parochiestichting worden gezien als een nieuwe fase binnen de emancipatie van de Arnhemse katholieken die nu een nieuwe parochie konden toevoegen aan het bestand van de reeds bestaande parochieverbanden. Gezien de voorgevel van het kerkgebouw, met twee forse klokkentorens, heeft architect Welsing zich mogelijk geïnspireerd op de St.-Walburgiskerk, eveneens te Arnhem en daterende uit de late Middeleeuwen. Het gebouw kreeg een tamelijk sober, traditionalistisch karakter met eenvoudige, gemetselde gevels. Alleen aan de voorzijde werd de detaillering in natuursteen uitgevoerd (rode Wesersteen). De toegepaste vormentaal werd ontleend aan de romaanse en gotische bouwkunst (gedrukte spitsbogen, archivoltportalen, rozetvenster). Het schip is aanzienlijk breder dan de zijbeuken en komt qua breedte overeen met het koor. Hierdoor wist Welsing aan te sluiten bij de idealen van de Liturgische Vernieuwing die binnen het schip zoveel mogelijk een vrij zicht wilde zien te bereiken op het hoogaltaar. Overeenkomstig de praktijk met betrekking tot de interieurafwerking van kerkgebouwen in de 19de en vroege 20ste eeuw, werd de nieuwe kerk voorzien van een rijke polychromering met diverse motieven. Deze zou omstreeks de jaren 1950 in haar geheel worden ondergekalkt met grijze verflagen. Op een interieurfoto van de net voltooide kerk is zichtbaar dat de polychromie al in de bouwperiode was uitgevoerd. Op de foto blijkt het gewelf van de viering te zijn beschilderd in een patroon dat aansluit op de Art deco-ontwikkelingen. Zoals nu, tengevolge van het afbladderen van latere verflagen, zichtbaar is in het kerkgebouw zelf, werden de gewelven van koor en schip voorzien van neogotische architectuurkaders en diverse overige motieven zoals sierbanden en griffioenmotieven. Binnen het schip en de transeptarmen zijn genoemde kaders op een soberder wijze uitgevoerd dan in het koor. Binnen het koor zijn ze driedelig in plaats van tweedelig en gecombineerd met stadsgezichten waarin zich in middeleeuwse trant uitgevoerde gebouwen bevinden alsmede palmbomen. Deze verwijzen naar de betekenis van het Hemelse Jeruzalem dat in de directe nabijheid van het hoogaltaar extra geaccentueerd werd. De betekenis van deze thematiek wordt voortgezet binnen de glas-in-loodramen in koor èn schip, die zijn voorzien van stedenbouwmotieven. De binnen de koorgewelven aanwezige griffioenen gelden als een symbool voor de wetenschap. In hun combinatie van leeuw en adelaar accentueren ze bovendien Christus' betekenis als koning van hemel en aarde. De beschildering van de linker zijkapel aan de zuidzijde van het schip heeft waarschijnlijk betrekking gehad op een alhier aanwezige devotietroon. De tekstband binnen de middelste zijkapel aan de noordzijde van het schip (westelijke zijwand) heeft betrekking gehad op de aanwezigheid van een biechtstoel. Waarschijnlijk bevinden zich ook in de overige zijkapellen waarin zich een biechtstoel bevond (vier kapellen) dergelijke tekstbanden. De in deze kapellen geplaatste biechtstoelen zijn pas in een latere periode neergezet. Dit blijkt uit het feit dat het wandgedeelte waartegen ze stonden tegen het rode lambrizeringsveld zijn voorzien van drie donkergroene vakken. Waarschijnlijk hebben deze een functie gekend in verband met de oorspronkelijke kruiswegstaties. Deze zouden dan bevestigd kunnen zijn geweest tegen de brede vakken aan weerskanten van het centrale, smallere vak (alsmede op andere plaatsen binnen schip en transept). De vakken zijn pas na de bouwperiode aangebracht, omdat ze over de reeds aanwezige rode lambrizeringsvelden alsmede sierbanden zijn geschilderd. De in de rechter zijkapel aan de noordzijde van het schip aanwezige Lourdesgrot werd eveneens later gerealiseerd, hetgeen blijkt uit de zich hierachter bevindende authentieke wandpolychromering. De grot was samengesteld uit een uit gaas en gips opgebouwde constructie. Voorts dient te worden gewezen op de in het zicht gekomen authentieke tegelvloeren in de middelste zijkapel aan de noordzijde van het schip en binnen het transept, respectievelijk in zwarte en rode tegels uitgevoerd. De eenvoudige tegels zullen dateren uit de beginperiode van het kerkgebouw. Omstreeks de jaren 1950 zullen de huidige tegelvloeren in schip en transept zijn gelegd (in hun geheel over de authentieke vloeren?). Deze vertonen overwegend eenvoudige geometrische patronen. Binnen genoemde zijkapellen gingen de originele tegels schuil onder de alhier geplaatste biechtstoelen. De beschildering van het sacristieplafond bij de toegang tot het koor sluit stilistisch gezien aan bij de reeds bekende polychromie van de overige sacristie-onderdelen. Iconografisch vertonen ze het opmerkelijke detail van de in vieren verdeelde vierkante vakken. De invulling van telkens vier kwartieren met 'zebrapad'-patronen, Franse lelies en zwart ingevulde vakken, verwijst mogelijk naar een heraldisch motief dat in relatie gebracht zou kunnen worden met de overheersende Mariathematiek binnen de overige polychromering van de sacristie. De grijsblauwe vakken van het plafond van de bijsacristie zijn hiermee met zekerheid in relatie te brengen. De soberder decoratie van dit gedeelte accentueert de belangrijke betekenis van de hoofdsacristie met zijn rijk gedecoreerde plafond.

Tenslotte dient nog te worden gewezen op de in het zicht gekomen spouwmuurconstructies. Hieruit blijkt dat architect Welsing bij de bouw van de O.L.Vrouwekerk een moderne constructiemethodes toepaste.


Gebouwomschrijving SKKN

De geschiedenis van de parochie van O.L.Vrouw Onbevlekt Ontvangen begon toen B.A. Nieuwenhuis, kapelaan te Hilversum, op 20 januari 1909 van mgr. H. van de Wetering, aartsbisschop van Utrecht, de opdracht kreeg een nieuwe vijfde parochie in Arnhem op te richten. Dit was nodig omdat het aantal katholieken in de stad gestaag toenam. De lokatie van de parochie was de wijk St. Marten, gelegen ten noorden van het oude centrum en hoofdzakelijk daterend uit het begin van de twintigste eeuw.

De eerste aandacht van de bouwpastoor ging uit naar de bouw van een nieuwe kerk. De architect werd W.G. Welsing uit Arnhem. Op 30 maart 1910 werd de bouw aanbesteed. De Gebr. Dessing uit Gouda kregen de opdracht voor de aanneemsom van f. 106.000,-. Op 22 juni 1910 werd vervolgens de eerste steen gelegd. Op de bijgevoegde oorkonde was o.a. vermeld dat de parochiekerk was toegewijd "aan de Allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria onder de titel van Onze Lieve Vrouwe van Lourdes". Op 4 mei 1911 kon men de kerk inwijden. Hierbij werd de mis opgedragen door mgr. H. van de Wetering. De dag erna werd de parochie formeel opgericht met B.A. Nieuwenhuis als eerste pastoor.

Het ontwerp van de kerk is geïnspireerd op de Franse gotiek met romaanse invloeden. Het betreft een kruisbasiliek met recht gesloten koor en een tweetorenfront, dat van de straat terugligt. Aan weerszijden van het kerkplein verrezen een pastorie (links) en een kosterij/ parochiebibliotheek/ patronaatszaal (rechts) in een mengeling van neogotiek en neorenaissance.

Vanwege de vergrijzing van de wijk en een andere bevolkingssamenstelling liep in het laatste kwart van de twintigste eeuw het aantal parochianen en kerkbezoekers sterk terug. Hierom was men gedwongen de kerk in 1995 aan de eredienst te onttrekken. Kerk en pastorie werden verkocht, waarbij in de kerk appartementen werden gerealiseerd. De meeste onroerende inventarisstukken (gebrandschilderde ramen, natuurstenen [altaar-] reliëfs, e.d.) konden in het gebouw gehandhaafd blijven. De naastgelegen kosterij bleef in het bezit van de parochie. Men richtte daarin een kapel in, waarin voortaan de parochievieringen konden worden gehouden. De andere vertrekken gingen dienen als facilitaire ruimtes. Vrijwel alle roerende inventarisstukken verhuisden mee vanuit de kerk naar de kosterij. Op 28 mei 1995 had de laatste viering in de parochiekerk plaats, waarna de nieuwe kapel in gebruik werd genomen.

Tien jaar heeft men van deze lokatie gebruik kunnen maken. Omdat er vooralsnog geen substantiële kentering in het kerkbezoek optrad en omdat er onvoldoende parkeergelegenheid bij de kapel bestaat, is het besluit gevallen om in mei 2005 ook de kapel aan de eredienst te onttrekken en met de kosterij te verkopen.


Waardebepaling/kerncollectie

De voorwerpen in de kosterij en in de kapel zijn vrijwel alle afkomstig uit de naastgelegen voormalige parochiekerk. Gehaald uit hun oorspronkelijke context, hebben deze roerende objecten aan betekenis ingeboet. Tussen de veelal neogotische obecten uit de bouwtijd van de voormalige kerk (eerste kwart twintigste eeuw), zijn er enkele, die bijzonder opvallen vanwege kwaliteit en oorspronkelijke staat, zoals de bij elkaar horende beelden van Anna en Joachim uit het voormalige Maria-Altaar (inv. nrs. 10937-22 en 23) en de fraaie wijwateremmer (inv. nr. 10937-154). Verschillende grote stukken zijn helaas overschilderd (altaarreliëfs [inv. nrs. 10937-5, 6 en 7], Jozefbeeld [inv. nr. 10937-24]) of afgeloogd (H. Hartbeeld [inv. nr. 10937-25] en Antoniusbeeld [inv. nr. 10937-26]).

Een aantal andere objecten is van bijzonder belang voor de geschiedenis van de parochie. Te noemen zijn het marmeren (!) beeld van O.L.Vrouw van Lourdes (inv. nr. 10937-27), patrones van de parochie, afkomstig uit de voormalige Lourdesgrot in de kerk, alsmede de ex-voto-plaquette (inv. nr. 10937-161), die in de nabijheid van de Lourdesgrot moet hebben gehangen. Uiteraard moeten we ook de tekening van pastoor Albers (inv. nr. 10937-56), de historische foto's van de kerk (inv. nrs. 10937-59, 60, 61), de portretfoto's van diverse pastoors (inv. nrs. 10937-62, 63 en 64) en beide tekstborden met de namen van bisschop en kerkpatroon (inv. nr. 10937-146) hiertoe rekenen. Van het vaatwerk hebben de kelk (inv. nr. 10937-81) en de cibories (inv. nrs.10937- 84 en 175) van pastoor Nieuwenhuis en de ciborie met schenkersinscriptie (inv. nr.10937- 82) bijzondere betekenis voor de parochie.

Het belang van de zeventiende-eeuwse monstrans (inv. nr. 10937-176, nu ondergebracht in de kluis van de R.K. kerk van St. Jan de Doper te Arnhem) voor de geschiedenis van katholiek Arnhem kan moeilijk overschat worden. Bij deze monstrans horen de later bijgemaakte lunula (inv. nr. 10937-88) en lunuladoos (inv. nr. 10937-87).

Van cultuurhistorische waarde voor Arnhem en de parochie zijn verder de zes vaandels (inv. nrs. 10937-111 - 116), daterend van 1913 tot 1952, met teksten die op de parochie betrekking hebben. Bewaard bleven ook de bijbehorende smeedijzeren standaards (inv. nrs. 10937-117 - 119), waarschijnlijk van de hand van A. Kniep, en de flambouwen van de erewacht (inv. nr.10937-104).

Tenslotte wordt aan de Maria-ikoon (inv. nr. 10937-55), ofschoon van minder kunsthistorisch belang, door de parochianen veel waarde gehecht.

Alle genoemde objecten worden tot de kerncollectie gerekend en zijn in het rapport van een sterretje voorzien.

Conditie van de voorwerpen/ klimatologische omstandigheden

De woonhuisatmosfeer van de kosterswoning, waarin de objecten de afgelopen tien jaar hebben gestaan, is op zich niet slecht geweest voor de voorwerpen. De vochtschade aan de vaandels is waarschijnlijk in de periode daarvoor ontstaan. Het parochievaandel in de kapel (inv. nr. 10937-112) heeft wel veel te lang in het licht gehangen en is daardoor geheel verkleurd. De bewaaromstandigheden van de vaandels in het algemeen moet op korte termijn verbeterd worden. Verder dienen de beelden van Anna en Joachim (inv. nrs. 10937-22 en 23) tegen houtworm te worden behandeld en beperkt te worden hersteld.

Herbestemming

De Onze-Lieve-Vrouwekerk uit 1911 is een beeldbepalend gebouw in de Sint Marten wijk, een volksbuurt in Arnhem. In 1995 werd de laatste kerkdienst gehouden, waarna de kerk werd gebruikt voor kunstactiviteiten en handenarbeid. De gemeente zocht naar een nieuwe bestemming, anders zou de kerk niet behouden kunnen worden. Woningstichting Portaal heeft toen het plan opgevat om huurwoningen in de kerk te bouwen. In april 2001 was het project klaar.

Externe links

Afbeeldingen

Exterieur

Interieur

Literatuur

- Monumenten in Nederland. Gelderland, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist, 1999, p. 85 - Selectie uit de fototentoonstelling t.g.v. 90-jarig bestaan de Parochie O.L.Vrouw en St. Alfonsuskoor te Arnhem, Arnhem 2001