Handelingen

Arnhem, Zwarteweg 25 - St. Elisabethkapel

Uit Reliwiki


Bezig met het laden van de kaart...
Algemene gegevens
Naam object: St. Elisabethkapel
Genootschap: Rooms Katholieke Kerk
Provincie: Gelderland
Gemeente: Arnhem
Plaats: Arnhem
Adres: Zwarteweg 25
Postcode: 6812BA
Inventarisatienummer: 11023
Jaar ingebruikname: 1905
Architect: Boerbooms, J.W.; voltooid door W.G. Welsing
Huidige bestemming: kapel
Monument status: Rijksmonument 516739


Geschiedenis

Voormalige kapel R.K. Sint Elisabeth Gasthuis (met andere ziekenhuizen in Arnhem gefuseerd tot Ziekenhuis Rijnstate).

Grote neogotische kapel met dakruiter.

Buiten gebruik in 1995, toen ook dit hele complex als ziekenhuis buiten gebruik werd gesteld. Hoofdgebouw gerestaureerd c.q. verbouwd tot appartementen, latere gebouwen van dit complex gesloopt eind jaren 1990. Kapel, na verwijdering van de meeste inventaris inclusief het orgel, in verval geraakt door verwaarlozing en vandalisme. Belangrijke neogotische glas-in-loodramen nog wel aanwezig, en gerestaureerd. Jaren stonden er hekken om de kapel, met name tegen het vandalisme. De kapel is weer in haar oorspronkelijke staat terug na tien jaar van restauratie. Sinds najaar 2014 zijn er elke maand weer vieringen, van Geloofsgemeenschap "De Zijp".

  • Locatie: Achter het hoofdgebouw.
  • Ligging: Binnen bebouwde kom.
  • Bouwjaar: 1897 (onderbouw) 1904/1906 (kapel)
  • Bouwstijl: neogotiek
  • Architect: J.W. Boerbooms

Monumentomchrijving Rijksdienst

De KAPEL van het "Sint Elisabeth's Gasthuis" is achter de ziekenhuis-vleugel gesitueerd en met het koor op de Zwarteweg gericht. De kapel is goed zichtbaar vanuit het noorden en vanuit de westelijk van het complex gesitueerde wijk Lombok. Met de bouw van de door J.W. Boerbooms (1849-1899) ontworpen kapel werd in 1897 begonnen. In dat jaar werd de onderbouw gerealiseerd. In 1904-1905 werd de bovenkapel gerealiseerd door architect W.G. Welsing die hierbij waarschijnlijk het ontwerp van Boerbooms aanhield. Het gebouw is met het koor op het westen gericht en kan getypeerd worden als een zogenaamde dubbelkerk, bestaande uit een onderkerk met daarboven de eigenlijke kapel. In de in 1897 gebouwde onderkerk werden ondermeer een sectieruimte, een rouwkapel en een lijkenhuis ondergebracht. De onderkerk werd door Boerbooms ontworpen. Na zijn overlijden in 1899 nam W.G. Welsing het project over. Met de bouw van de bovenkerk werd in 1904 begonnen.

Omschrijving

De bovenkerk bestaat uit een driebeukig halleschip met vijf traveeën. Het éénbeukige koor heeft een enkele koortravee en een 5/8 sluiting. Aan elke zijde heeft het koor een kapel met drie sluitingszijden die zowel op de sluitingswand van de zijbeuk als op de zijwand van de koortravee aansluit. De kapellen hebben elk een verdieping. De onderbouw hoort bij de onderkerk, de bovenbouw doet dienst als sacristie (zuidkapel) en bergruimte (noordkapel). "De in baksteen in kruisverband opgetrokken kerk heeft over de hoofdbeuk en het koor een zadeldak met schilden boven de koorsluiting. De zijbeuken hebben per travee een dwarsgeplaatst schilddak dat op de hoofdkap aansluit. Op de nok van het dak is op de overgang van schip naar koor een slanke dakruiter met achtzijdige spits geplaatst. De daken zijn gedekt met leien in maasdekking. De steunberen hebben in de onderbouw een versnijding met afzaat, die zich op de muren voortzet als waterlijst (hardsteen). Een tweede versnijding met afzaat treffen we aan op het niveau waar de onderdorpels van de vensters van de bovenkapel zijn gesitueerd en deze afzaten zijn ook weer verbonden met een waterlijst, die zelf weer verbonden is met de onderdorpels van de vensters. Hierboven zijn de steunberen voorzien van een overhoeks geplaatste bakstenen pinakel met een hardstenen piramidevormige inzwenkende bekroning. Daarboven zijn de steunberen gedecoreerd met een casement met driepasboog in de top en de steunberen sluiten af met een hardstenen ezelsrug met kruisbloem, overgaand in de dekplaat. De flankerende dakkapellen hebben zowel in de eerste als in de tweede bouwlaag korfboogvensters en sluiten af met een hardstenen balustrade bestaande uit een reeks driepasboogjes met deklijst tussen bakstenen hoekpenanten met weer piramidevormige hardstenen bekroningen. De kapellen hebben een plat zinken dak. De zijbeuken hebben in de onderbouw per travee een breed korfboogvenster. De onderverdieping van het koor heeft in de sluitingszijde een getoogde deur en daarboven blinde nissen met gekoppelde spitsbogen op een hardstenen kraagsteen. De bovenkerk heeft spitsboogvensters met kwarthol profielen in de dagkanten en natuurstenen geboorte- en sluitstenen. De vensters hebben traceerwerk in gele verblendsteen (driedelig in de zijbeuken en tweedelig in het koor) met lancetten en cirkels of sferische driehoeken in de oculi van de venstertoppen. De gevels sluiten af met uitkragende bakstenen lijsten waarop vervolgens de natuurstenen bakgoot rust. Het koordak is verder voorzien van neogotische dakkapellen met inzwenkende piramidedaken met pirons, met een vijfzijdig overstek boven het luikje aan frontzijde.

Het INTERIEUR. De kapel heeft een ingang aan de zijde van de Zwarteweg en een hoofdingang in het ziekenhuis. De opgeklampte toegangsdeur met fraai sierbeslag heeft een spitsboogvormig bovenlicht met een glas-in-lood-raam met een voorstelling van Elisabeth. Het driebeukige halleschip heeft granieten zuilen op achtzijdige zwarte granieten basementen met zandstenen bladkapitelen. Middenschip en zijbeuken zijn overwelfd door vierdelige kruisribgewelven. In de eerste travee van het schip bevindt zich een neogotische houten orgelgalerij met opengewerkt traceerwerk. De kerk heeft een tegelvloer (neogotiek) in verschillende kleuren, waarin plant- en diermotieven en de Evangelistensymbolen zijn verwerkt. "In de zijbeuken hangt een complete geschilderde kruisweg in neorenaissancestijl uit 1912 van Wijnand Geraedts. De vensters van het koor, van de sluitingswanden van de zijbeuken en het venster in de eerste travee van de noorderzijbeuk bevatten glas-in-lood-ramen met figuratieve voorstellingen in neorenaissance- en neogotische stijl, met teksten aan de onderzijden waarop de schenkers zijn genoemd. De deuren naar de nevenruimte van het koor zijn van blank hout met neogotische briefpanelen. In het koor bevindt zich nog een neogotische bel met een fraai gedecoreerde armatuur en een neogotische ijzeren Godslamp."

Waardering

KAPEL van het "Sint Elisabeth's Gasthuis". - Van architectuurhistorische waarde als functioneel onderdeel van het Sint Elisabeth's Gasthuis en als goed bewaard voorbeeld van een rond de eeuwwisseling gebouwde ziekenhuiskapel in de stijl van de neogotiek. Als dubbelkapel is er tevens sprake van een typologische waarde. Het gebouw vormt een van de scheppingen van de bekende architect J.W. Boerbooms die het aanvankelijke ontwerp maakte, dat waarschijnlijk door architect Welsing na de dood van Boerbooms werd afgebouwd. De detaillering van het gebouw is nog oorspronkelijk. Het interieur van de kapel is nog gedeeltelijk oorspronkelijk en draagt bij aan de monumentale waarde van het geheel.

  • Van stedebouwkundige waarde als markant gesitueerd object tussen de Utrechtseweg en de spoorbanen op een hoge stuwwal ten westen van de stadskern van Arnhem. Vanuit de aangrenzende woonwijk Lombok is de kapel ook te bereiken zonder het ziekenhuis te moeten betreden. De kapel vormt binnen het complex een waardevol beeldbepalend element aan de westelijke entree van Arnhem.
  • Van cultuurhistorische waarde wegens de belangrijke rol die het Gasthuis speelde tijdens de Slag om Arnhem in 1944. Het Sint Elisabeth's Gasthuis bevond zich midden in de gevechtszone in de smalle corridor tussen de spoorweg en de rivier en ging dienst doen als hospitaal voor beide partijen. In het gebouw werd kort daarna een wapenstilstand overeengekomen. Als zodanig is het complex nauw verbonden met de geschiedenis van de stad Arnhem en met de nationale oorlogshistorie in het bijzonder. Doordat de kapel ook open stond voor anderen dan de ziekenhuispatiënten, is deze ook nauw verbonden met de kerkgeschiedenis in dit gedeelte van de stad Arnhem.

Motivering:

Het object is van belang voor de gemeente Arnhem vanwege zijn architectonische, stedebouwkundige en cultuurhistorische waarde.

Toelichting:

De kapel is een onderdeel van het St. Elisabethsgasthuis dat gelegen is aan de Utrechtseweg 196 op de stuwwal aan de oevers van de Rijn. Het bedehuis is gelegen ten noorden van het hoofdgebouw en is met het koor gericht naar het westen. Een verbindingsgedeelte met trappenhuis verbindt de kapel met het hoofdgebouw. Het Elisabethsgasthuis is gesticht in 1878 toen een aantal Duitse Franciscanessen op verzoek van deken J.H. van Basten Batenburg, pastoor van de St.-Eusebiusparochie, aan de Arnhemse Coehoornstraat zich toelegden op de ziekenverzorging. Nadat gebleken was dat de bestaande behuizing te klein was vertrok men in 1880 naar de Villa Zomerlust aan de Utrechtseweg. Ook nu kreeg men te maken met een tekort aan ruimte waardoor in 1890 besloten werd tot de bouw van een nieuw ziekenhuis waarvoor een stuk grond aangekocht werd naast Zomerlust. Het ontwerp werd getekend door de Arnhemse architect J.W. Boerbooms (1849-1899). Op 25 juni 1893 werd de eerste steen gelegd. De bouw verliep in verschillende fases. Van het hoofdgebouw werden allereerst het middenpaviljoen, de westvleugel en een gedeelte van de oostvleugel gebouwd. Vanaf 1896 werd de oostvleugel afgebouwd. In 1897 werd begonnen met de onderbouw van de kapel waarin de rouwkapel, het lijkenhuis en de sectieruimte ondergebracht zouden worden. Nadat de onderbouw op 14 mei van hetzelfde jaar gereed was kreeg men pas in 1904 toestemming voor de bouw van de kapel zelf alsmede de verbindingsgang waarmee deze ruimte verbonden zou worden met het ziekenhuis. In 1906 werden beide onderdelen voltooid. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam het ziekenhuis binnen de frontlinie te liggen. Rondom het complex vonden zware gevechten plaats in het kader van de pogingen om de Rijnbrug te veroveren. Het ziekenhuiscomplex liep verschillende beschadigingen op waarna herstel plaats vond. Het gasthuis werd in 1995 verlaten toen het nieuwe Rijnstateziekenhuis in gebruik genomen werd. Toen werd ook de kapel gesloten. De Arnhemse architect Boerbooms heeft geruime tijd gewerkt bij het toonaangevende architectenbureau van Dr. Pierre Cuypers te Roermond. In die periode was hij o.a. betrokken bij de bouw van een kerk en klooster voor de Franciscanen te Brussel. Na een aantal jaren keerde hij terug naar Arnhem waar hij werkzaam was als zelfstandig architect. Behalve het ontwerp voor het Elisabethsgasthuis was hij te Arnhem onder meer verantwoordelijk voor de pastorie van de St. Jan de Doperkerk in Klarendal. Vanaf 1894 werkte hij aan de restauratie van de Grote Kerk en voerde hij bovendien herstellingen uit aan de (inmiddels gesloopte) St. Eusebiuskerk van Van den Brink.

Hoewel Boerbooms een trouw volgeling was van Cuypers, zocht hij in zijn werk in stilistisch opzicht meer aansluiting bij het werk van architect Tepe. Dit komt vooral tot uiting bij de door Boerbooms ontworpen O.L. Vrouwekerk te Apeldoorn en de kapel van het Elisabethsgasthuis. Doordat Boerbooms in 1899 plotseling overleed is hij niet actief betrokken geweest bij de bouw van de kapel. Het project werd overgenomen door architect W.G. Welsing (1859-1942). Het ontwerp van de onderbouw kan met zekerheid toegeschreven worden aan Boerbooms. Aangenomen mag worden dat ook de kapel door Boerbooms ontworpen is en dat Welsing het bestaande ontwerp uitgevoerd heeft. Vergelijking met Welsings O.L. Vrouwekerk uit 1910 aan de Arnhemse Van Slichtenhorststraat geeft aan dat diens ontwerpen tot een veel soberder resultaat leidden. Boerbooms sloot vooral aan bij voorbeelden uit de Nederrijnse Gotiek. Bij de ziekenhuiskapel blijkt dit uit het benadrukken van baksteen, de vormgeving van het maaswerk van de vensters, de geleding van de steunberen met contreforts en casementen, alsmede de toepassing van steekkappen in de vorm van dwars geplaatste schilddaken boven de zijbeuken. De rijkdom aan details, die gezien kan worden in Boerbooms' hoofdgebouw van het Elisabethsgasthuis, keert terug binnen de vormgeving van de kapel. Ook het interieur van de kapel werd rijk uitgevoerd. Ze werd voorzien van fraaie neogotische tegelvloeren met plant- en diermotieven. In het koor bevatten de vloeren bovendien de evangelistensymbolen. Voorts werd de kapel voorzien van grijsgranieten zuilen en colonetten, zwartgranieten plinten en verschillende deuren met briefpanelen en smeedijzeren sierbeslag. De vensters werden gevuld met glas-in-lood waarvan een aantal met voorstellingen. De figuratieve ramen dateren van 1885 en 1905 en werden geleverd door het toonaangevende atelier F. Nicolas en Zonen uit Roermond. De glazen uit 1885 bevinden zich in de drie sluitingswanden van het koor en zijn afkomstig uit de kapel van het voorgaande Elisabethsgasthuis (gevestigd in de Villa Zomerlust). De ontwerpen werden getekend door Stahl, één van de bekende ontwerpers in dit atelier. Op vijf van de ramen is via een tekstband de naam van de schenkster vermeld, mejuffrouw G. Schmitz. De drie centrale koorramen zijn voorzien van een alliantiewapen waardoor aangegeven is dat ze geschonken zijn door jonkheer R. Tindal en diens vrouw, de baronesse Van Lamsweerde. Aanleiding was een jubileum van pastoor-deken Van Basten Batenburg. Met uitzondering van het venster uiterst links in de noordelijke zijbeuk zijn de vensters in de zijbeuken voorzien van blank kathedraalglas met kleurige lijsten. De overige vensters (in bijruimtes en bij de zangtribune) bevatten veelkleurige decoratieve glas-in-loodramen met Jugendstilinvloed. De kapel kreeg een neogotische inrichting bestaande uit altaren, preekstoel, communiebank, triomfkruis, kruiswegstaties (door Wijnand Geraedts) en andere objecten. In de periode na de Tweede Wereldoorlog is een aantal van deze objecten tengevolge van veranderde denkbeelden weer verdwenen.

De kapel werd in 1922 voorzien van een polychrome beschildering die zich concentreerde op de blinde korfboognissen binnen de koorwanden. De decoratie bestond uit figuratieve voorstellingen met Beuroner invloed. Mogelijk zijn de schilderingen onder de later aangebrachte witkalk nog aanwezig.

De kapel vormt een wezenlijk onderdeel van het ziekenhuiscomplex van het Elisabethsgasthuis. Tezamen met het hoofdgebouw en het verbindingsgedeelte behoort ze tot de meest oorspronkelijke onderdelen van het ziekenhuis. De rijk gedetailleerde architectuur is zowel aan de buitenzijde als aan de binnenzijde van grote kwaliteit en zeer gaaf bewaard gebleven. Het gebouw geeft een goede indruk van het werk van de Arnhemse architect Boerbooms en accentueert vooral de invloed van de Nederrijnse Gotiek binnen diens oeuvre. De persoonlijke taal die door de Cuypersleerling Boerbooms binnen zijn ontwerpen gesproken wordt komt hiermee tot uiting. Wezenlijke en onlosmakelijke onderdelen binnen het interieur vormen de neogotische tegelvloeren, de verschillende deuren met briefpanelen en sierbeslag alsmede het glas-in-loodwerk. De gebrandschilderde ramen geven een goede indruk van de glazenierskunst van het atelier Nicolas uit Roermond. Dit atelier geldt als één van de meest toonaangevende glaswerkplaatsen binnen de Nederlandse ontwikkelingen op het gebied van vooral de religieuze glazenierskunst en heeft betekenis gehad vanaf 1855 tot 1939 toen het bedrijf verkocht werd aan de glazenier Max Weiss. De Arnhemse ramen werden ontworpen door Stahl, één van de belangrijkste ontwerpers binnen het atelier Nicolas. De neogotische vormgeving en academisch weergegeven figuren zijn typerend voor de kunsthistorische ontwikkelingen binnen de kerkelijke kunst van omstreeks de eeuwwisseling. De gebrandschilderde glazen in de kapel van het Elisabethsgasthuis dienen dan ook gezien te worden als belangrijke voorbeelden van de kunstproductie van het toonaangevende atelier Nicolas. Door het gegeven dat het merendeel geschonken is door met naam bekende weldoeners van het ziekenhuis geven ze bovendien een indruk van de sociale achtergrond bij het ontstaan en de verdere ontwikkeling van het Elisabethsgasthuis. Voorts worden hierdoor aspecten binnen de katholieke geschiedenis van het laat 19de-eeuwse en vroeg 20ste-eeuwse Arnhem geïllustreerd. Van waardevolle betekenis is bovendien het gegeven dat drie van de glas-in-loodramen afkomstig zijn uit het voorgaande Elisabethsgasthuis en geschonken zijn bij een jubileum van Van Basten Batenburg die het ziekenhuis gesticht had. Doordat het gasthuis vanaf haar stichting een wezenlijk onderdeel is gaan vormen van de geschiedenis van Arnhem en een bijzondere betekenis kreeg tijdens de Tweede Wereldoorlog fungeert ze met haar kapel als een object met belangrijke stedelijk historische betekenis. Stedebouwkundig gezien vormt de kapel met het bijbehorende ziekenhuis een zeer markant herkenningspunt op de stuwwal langs de Rijnoever. Ook de combinatie van dit ensemble met de naastgelegen laat 19de-eeuwse wijk Lombok onderstreept de waarde van de kapel.

Beschrijving (03-03-1998):

Exterieur

De kapel bestaat uit een driebeukig hallenschip met zes traveeën. Hierop sluit een eenbeukige koorpartij aan met twee traveeën en een driezijdige sluiting. Aan weerskanten van het koor bevinden zich driezijdige kapellen die dienst doen als sacristie (zuidkapel) en werkruimte (noordkapel). Deze kapellen hebben twee bouwlagen. Oostelijk van de zijbeuken bevindt zich een lagere travee die via een lessenaarsdak aansluit op het schip. Het schip heeft een zadeldak met driezijdige sluiting boven het koor. Op de nok is op de overgang van schip naar koor een slanke dakruiter geplaatst met achtzijdige spits. De zijbeuken hebben per travee een dwars geplaatst schilddak dat aansluit op de kap van het schip. De daken zijn gedekt met leien in Maasdekking. De zijkapellen hebben platte daken. De kapel heeft een geprofileerde daklijst met een hardstenen bakgoot. De schilddaken van de zijbeuken alsmede de nok van het koor worden afgesloten door een piron. Op het koor heeft deze de vorm van een finaal. Op het koordak en het meest oostelijke gedeelte van het dak boven het schip bevinden zich houten dakkapellen met een zadeldakje en een veelzijdige pyramidale overstek die bekroond wordt door een piron. Het luikje is voorzien van een driepasopening. Het gebouw is opgetrokken in bruinrode baksteen in kruis¬verband. Bouwkundige details zoals waterlijsten, lekdorpels en speklagen zijn uitgevoerd in hardsteen en kunststeen. De kapel heeft in de zijbeuken en het koor spitsboogvensters. Het maaswerk is driedelig in de zijbeuken en tweedelig in het koor en wordt gekenmerkt door lancetten, cirkels, visblazen en sferische driehoeken. De vensters in de meest oostelijke travee van de zijbeuken komen in de bovenste helft overeen met de overige vensters in de zijbeuken. De onderste helft bestaat uit een drietal lage lancetvensters die naar boven toe aansluiten op omgekeerde blinde lancetvormen. De lagere traveeën in het oosten hebben bovenin een spitsboogvenster met tweedelig maaswerk in de vorm van lancetten. Hieronder bevindt zich aan de noordzijde een ingang met daarboven twee kleine spitsboogvensters. De ingang is opgenomen binnen een rondboog en voorzien van een deur met kraaldelen en beslag. Aan de zuidzijde bevindt zich onder het spitsboogvenster een korfboogvenster dat eveneens voorzien is van tweedelig maaswerk. Rechts van deze zuidelijke travee bevindt zich een travee die aansluit op het verbindingslid tussen kapel en ziekenhuis. Deze travee bestaat uit vier bouwlagen en heeft binnen de eerste bouwlaag een ingang die bereikbaar is via een trap met hardstenen treden en een smeedijzeren neogotische balustrade. De ingang bevat een dubbele enkelruits deur. Binnen de tweede bouwlaag bevindt zich een korfboogvenster met tweedelig maaswerk in de vorm van lancetten. De derde en vierde bouwlaag bevatten een venster met twee enkelruits draairamen en dito bovenlichten. De onderbouw van de kapel heeft onder de zijbeuken korfboogvensters alsmede ingangen.

In de eerste bouwlaag van de zijkapellen is één spitsboogvenster aanwezig alsmede een ingang die opgenomen is binnen een korfboog en verbonden is met een zich hierboven bevindend spitsboogvenster. De ingang heeft een deur die bestaat uit kraaldelen en voorzien is van beslag. In de tweede bouwlaag bevinden zich twee korfboogvensters. Het maaswerk van de vensters bestaat uit lancetten en cirkels. De onderbouw van het koor heeft aan de westzijde een ingang binnen een segmentboog. De ingang is verbonden met het Tudorboogvenster dat zich hierboven bevindt en heeft een dubbele deur van kraaldelen met beslag. Binnen de koorzijden aan weerskanten van de ingang is een Tudorboogvenster aanwezig. De vensters zijn voorzien van maaswerk met lancetvormen. In de tweede bouwlaag bevinden zich gekoppelde blinde spitsbogen met een kraagsteen. Alle vensters van de kapel, de onderbouw en aansluitende onderdelen hebben dagkanten in kwarthol profiel, geboorte- en sluitstenen. De meeste vensters zijn gevuld met glas-in-lood (de vensters van de onderbouw zijn afgeplaat). Het maaswerk is uitgevoerd in gele verblendsteen. De kapel wordt geleed door steunberen. Deze hebben bij de overgang van onderbouw naar kapel een versnijding met afzaat die voortgezet wordt als waterlijst langs de muren. Een tweede versnijding bevindt zich op het niveau van de lekdorpels van de spitsboogvensters. Op de bijbehorende afzaat staat een contrefort met een ingezwenkte pyramidevormige bekroning. Hierboven zijn de steunberen voorzien van een casement met driepasboog die afgesloten wordt door een gezwenkte ezelsrug met finaal. De ezelsrug sluit aan op de bekronende afzaat van de steunbeer. De verschillende details van de steunberen zijn uitgevoerd in kunststeen. Langs de onderbouw en binnen de lagere traveeën in het oosten zijn de steunberen met elkaar verbonden door waterlijsten en speklagen. De zijkapellen worden naar boven toe afgesloten door balustrades die bestaan uit een reeks van kunststenen driepasopeningen tussen bakstenen pinakels met een ingezwenkt konische afsluiting van kunststeen. Tegen de eerste bouwlaag van de zuidelijke zijkapel bevindt zich een koperen lantaarn met dito standaard.

Interieur

De kapel is vanuit het verbindingsstuk van het ziekenhuis bereikbaar via een ingang met een dubbele deur. De hal voor de kapel is voorzien van tegelvloeren en korfbogen (tengevolge van de sloopwerkzaamheden dichtgemetseld) en bevat vanuit het zuiden een toegangstrap die bereikbaar is via een buiteningang. Deze ingang bevindt zich binnen de zuidelijke travee van het gedeelte dat aansluit op het verbindingslid waardoor de kapel verbonden wordt met het centrale trappenhuisgedeelte van het ziekenhuis. De ingang bevat een dubbele enkelruits paneeldeur. De dubbele toegangsdeur van de kapel is voorzien van briefpanelen en smeedijzeren beslag. Boven de deur bevindt zich een spitsboogvormig bovenlicht met maaswerk in de vorm van lancetten en visblazen. Het zwaar beschadigde glas-in-lood bevat een voorstelling van de H. Elisabeth van Thüringen alsmede wapenschilden en is nog ten dele aanwezig.

De kapel bestaat uit een driebeukig hallenschip en wordt onderverdeeld door grijsgranieten zuilen waarvan de meest westelijke en oostelijke aansluiten op de wanden. De zuilen hebben veelhoekige zwartgranieten basementen en zandstenen bladkapitelen. Het middenschip en de zijbeuken worden overwelfd door vierdelige kruisribgewelven. De wanden hebben een zwartgranieten plint en worden geleed door grijsgranieten colonetten met identieke basementen en kapitelen als de zuilen. Tegen de oostelijke sluitingswanden van de kapel sluit een ruime houten zangtribune aan. Deze wordt gedragen door grijsgranieten zuilen en is voorzien van een neogotische balustrade waarvan de stijlen voorzien zijn van decoratieve contreforts met pinakels. Tussen de stijlen bevond zich neogotisch ajourwerk (vernield door recent vandalisme). De zangtribune is bereikbaar via een ingang die zich in de oostelijke sluitingswand van de noordelijke zijbeuk bevindt. De ingang is voorzien van een deur met briefpanelen en beslag. De toegangstrap van de tribune is voorzien van zwartgranieten treden en tegelvloeren. Op het niveau van de tribune sluit tegen de oostelijke sluitingswand van de zuidelijke zijbeuk een ingang aan met een dubbele briefpanelendeur met beslag. De ingang verleent toegang tot een bijruimte (hier staat een zwaar beschadigde kerkbank die waarschijnlijk afkomstig is uit de vroegere kapel). De westelijke sluitingswanden van de zijbeuken alsmede de wanden van het koor hebben blinde korfboognissen. Binnen de nis van de sluitingswand van de zuidelijke zijbeuk staat een altaartombe met panelen en een witmarmeren altaarsteen. De deuren naar de nevenruimtes langs het koor (sacristie en werkruimte) zijn opgenomen binnen een korfboog en voorzien van briefpanelen en sierbeslag. Het priesterkoor is bereikbaar via een bordes met drie zwartgranieten treden. Op het altaarbordes, eveneens met drie treden in zwart graniet, staat de altaartombe met paneelonderverdeling en witmarmeren altaarsteen. De vloeren van het koor, het middenschip en de zijbeuken zijn voorzien van neogotisch tegelwerk waarin plant- en diermotieven opgenomen zijn. In het koor bevat de vloer bovendien de evangelistensymbolen. Een gedeelte van de tegelvloer van het middenpad is zwaar beschadigd. In de vensters van het koor, de westelijke sluitingswanden van de zijbeuk en het uiterst links aanwezige venster in de noordelijke zijbeuk is glas-in-lood aanwezig met figuratieve voorstellingen in neogotische stijl. De ramen be-vatten de volgende voorstellingen (v.l.n.r.): Presentatie Maria, Rozenwonder H. Elisabeth, Franciscus zegent Assisi, Christus in de Hof van Olijven, Calvariescène, Hemelvaart van Christus, Elisabeth verzorgt de zieken, Elisabeth wordt verjaagd door haar zwager, Sterfbed van St. Jozef, de barmhartige Christus. Aan de onderzijde van vijf ramen staat de naam van de schenkster vermeld (mejuffrouw G. Schmitz). De drie centrale koorramen zijn voorzien van een alliantiewapen (Tindal/Van Lamsweerde). Een aantal ramen is gesigneerd en gedateerd (atelier F. Nicolas en Zonen, Roermond 1905). Het onderste gedeelte van het centrale venster in het koor is aan de binnenzijde dichtgemaakt (het glas-in-lood is hierachter nog aanwezig).

De overige vensters bevatten non-figuratief glas-in-lood. Binnen de zijbeuken zijn ze voorzien van blank kathedraalglas met gekleurde lijsten. De vensters in de nevenruimtes bij het koor alsmede de vensters die aansluiten op de zangtribune en de ruimte voor de kapel zijn voorzien van veelkleurig decoratief glas-in-lood waarin de Jugendstilinvloed te zien is. De nevenruimtes bij het koor zijn voorzien van een veelribbig kruisgewelf dat voortkomt vanuit een zuil met kapiteel en basement. In de sacristie bevinden zich de credenskast alsmede overige kasten die dateren van omstreeks 1950 (geen monumentale waarde). De sacristie is voorzien van een parketvloer. De tweede nevenruimte bevat een plankenvloer. De onderbouw beneden de kapel is vanaf het begin bestemd geweest voor de rouwkapel, het lijkenhuis en de sectieruimte. De rouwkapel is overwelfd met kruisribgewelven die gedragen worden door zuilen met basement en kapiteel. In alle drie de ruimtes is de inrichting nog ten dele aanwezig (snijtafel, koelruimtes). De toegangsruimte in het noordwesten heeft een terrazzovloer die mogelijk ook in de rouwkapel nog aanwezig is.

Literatuur/bronnen: J. Leussink, Honderd jaar St. Elisabeths Gasthuis, Arnhem 1984 H. Kooger, Rondom den Brink, Arnhem 1987, p.p. 48-52 W. Lavooij, Gebouwd in Arnhem, Zutphen 1990, p.p. 66-67

Externe links

Afbeeldingen

Exterieur

Interieur