Handelingen

Heeswijk-Dinther, Abdijstraat 49 - Abdijkerk van Berne

Uit Reliwiki


Bezig met het laden van de kaart...
Algemene gegevens
Naam object: Abdijkerk van Berne
Genootschap: Rooms Katholieke Kerk
Provincie: Noord-Brabant
Gemeente: Bernheze
Plaats: Heeswijk-Dinther
Adres: Abdijstraat 49
Postcode: 5473AD
Sonneveld-index: 07628 07629
Jaar ingebruikname: 1881
Architect: Asseler, Th. en Bleijs, A.C.
Huidige bestemming: Rooms Katholieke Kerk
Monument status: Rijksmonument 21276



Geschiedenis

Norbertijner abdij, uitbreiding kerkgebouw in 1927, verbouwing en uitbreiding klooster in 2000.

Abdij

ABDIJ, van Berne. In het complex van neogotische en moderne abdijgebouwen opgenomen is het voormalige Speelhuis van de abt van Berne, vermoedelijk oorspronkelijk een jachtslot van de hertog van Brabant, dat in 1546 werd verbouwd en voorzien van een nog bestaande topgevel en vensterbogen, aan de achterzijde een trapgevel. Aan de voorgevel een gevelsteen met het jaarcijfer 1546, waarboven C V M (abt Coenraad van Malsen) en dienst abtswapen. In de kerk drie zerken van de laatste abten van de oorspronkelijke abdij van Berne, n.l. van Coenraad van Malsen (abt 1528-1549), Otto van Boetselaer (1549-1552) en Theodorus Spierinck (1552-1584). Mechanisch torenuurwerk, Jos van de Kerkhof. In de entree-hal: Mechanisch smeedijzeren torenuurwerk, tweede helft van de 18de eeuw, met daaraan gekoppeld een klok van een anonieme gieter, 1522. In torentje boven de kapittelzaal klok van A. Petit, 1755, diam. 29 cm.

Onderdeel II, kloostergebouw

KLOOSTERGEBOUW, tussen 1869-1870 in vormen van de Neo-Gotiek opgetrokken naar een ontwerp van de architect Th. Asseler. Het kloostergebouw bestaat uit drie vleugels van een carré, waarvan de oostelijke feitelijk slechts de functie van pandgang heeft. Dit gedeelte is na onderdeel III de tweede uitbreiding van de snel groeiende abdijgemeenschap en bevindt zich tussen het uit 1546 daterende "slotje" en de vleugel aan de oostzijde uit 1857-1858 (onderdeel III). In deze vleugel, die noord-zuid gericht is, bevinden zich onder meer ontvangstruimtes, een keuken met refter en de verblijven voor de gasten. Dit gedeelte is in 1999 sterk gerenoveerd. Aan de noordzijde is in 1998/9 een nieuw verblijf voor de kloosterlingen gebouwd. De noordelijke vleugel dateert uit 1870 en omvatte onder meer een bibliotheek die nu verplaatst is naar het nieuwe gedeelte.

Langgerekt kloostergebouw en deels onderkelderd gedeelte van twee bouwlagen met een kapverdieping op rechthoekige grondslag onder een van Maasgedekte leien voorzien zadeldak met steekkappen aan de voorzijde. De gevels zijn opgetrokken in machinale baksteen gemetseld in kruisverband. De plint is gecementeerd. De gevel is symmetrisch van opzet en heeft op de hoeken twee risalieten met topgevels waarin met een spitsboog bekroonde getrapte spaarvelden zijn aangebracht met daarin een oculus. De topgevels hebben verder een ezelsrug en uitkragingen op de aanzet. Ter hoogte van de zolderbalklaag zijn smeedijzeren krulankers aangebracht. Het fries is zowel aan de voor- als aan de zijgevels geornamenteerd met lijsten van siermetselwerk met onder meer zaagtand- en muizentandlijsten. In het voorste dakschild bevindt zich een kleine dakkapel. De vensters op de begane grond en de verdieping zijn met een segmentboog getoogd, hebben houten kruiskozijnen, 24-ruits ramen en hardstenen onderdorpels. Boven een lage hardstenen trap van drie treden bevindt zich een met stucwerk omlijste en met een segmentboog getoogde ingang met een dubbele opgeklampte deur met ijzeren sierbeslag, een bovenlicht met roeden in webpatroon en een glazen luifel. Centraal in de middenrisaliet bevindt zich een natuurstenen gedenksteen met wapen en opschrift, van A. van Laarhoven, abt van 1867-1870. Rechtsonder boven de plint bevindt zich een kleine natuurstenen steen met inscriptie waarmee de eerste steen legging wordt herdacht. De westelijke zijgevel telt zeven traveeën. De vensters zijn boven elkaar geplaatst en hebben dezelfde detaillering als die aan de voorzijde. De binnenplaats diende tot circa 1966 tot begraafplaats. De noordelijke vleugel is een jaar na de westelijke vleugel opgetrokken en is vrijwel identiek aan de westelijke in detaillering van vensters, ramen en dakkapellen. Iets later dan deze vleugel is het éénlaagse oostelijke gedeelte opgetrokken. Dit gedeelte grenst deels aan de abdijkerk (onderdeel IV) en is hiermee ook intern verbonden. De vertrekken in deze vleugel vertonen minder samenhang dan de westelijke en de noordelijke vleugels. In dit gedeelte zijn enkele vertrekken met een administratieve functie gevestigd. De detaillering van vensters, ramen en dakkapellen is overeenkomstig die van de westelijke en noordelijke vleugels. Inwendig bevinden zich aan de voorzijde (zuidzijde) een ontvangstruimte en een hal. Op de begane grond van de langgerekte vleugel zijn verder de keuken en de refter gevestigd. Aan de oostzijde bevindt zich hier een grote doorlopende gang. De in 1999 verbouwde verdieping dient tot verblijf voor de gasten. Inwendig is het geheel verbonden met het "slotje" en met de oostelijke vleugel (onderdeel III). Aan de noordzijde is het verbonden met de nieuw gebouwde verblijven voor de kloosterlingen.

Het kloostergebouw is van algemeen belang. Het heeft cultuurhistorische waarden als bijzondere uitdrukking van de explosieve groei van het katholieke kloosterleven na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853. Het heeft architectuurhistorische belang vanwege de veelheid en diversiteit van de gebruikte neostijlen en vanwege de hoge architectonische kwaliteit die de afzonderlijke onderdelen bezitten.

Tevens heeft het architectuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van het zoeken naar een typologie voor het kloostergebouw in het algemeen. Met name de overgang van een meer herenhuisachtig karakter naar de meer gebruikelijke kloostertypologie is van belang.

Het heeft ensemblewaarden vanwege de wijze van verkaveling en inrichting. Het is van belang vanwege het gaaf bewaarde karakter en vanwege de typologische en functionele zeldzaamheid.

Onderdeel III, kloostergebouw

KLOOSTERGEBOUW, in 1857-1858 als oudste kloostergebouw opgetrokken onder abt G. Neefs in Neo-Classistische vormen met aan de noordzijde een KAPITTELZAAL/ HUISKAPPEL, opgetrokken in Neo-Gothische vormen. Het gebouw bevindt zich tussen het gedeelte uit 1867-1870 (onderdeel II) en de abdijkerk uit 1881 en 1927 (onderdeel IV).

Oorspronkelijk vrijstaande kloostervleugel van een herenhuistypologie, bestaande uit twee bouwlagen ondern van Maasgedekte leien voorziene samengestelde daken. Symetrisch van opzet; voorgevel van zeven traveeën. Gevels opgetrokken in een handvorm baksteen, gemetseld in kruisverband. Op elke hoek van de voorgevel en in het iets risalerende middengedeelte, dat met een fronton met kroonlijst bekroond wordt, bevindt zich een baksteenpilaster met lege rondboogvormige beeldnis. Deur en vensters zijn recht gesloten en bekroond met een hanenkam. Alle vensters en ook de beeldnissen hebben hardstenenonderdorpels, de vensters op de begane grond hebben achtruits ramen, die op de verdieping zesruits ramen. Alle ramen hebben een opvallend brede middenstijl. Dubbele opgeklampte deur met ijzeren beslag en een gedeeld bovenlicht. Fraai gedetailleerd deurkalf. Aan de achtervleugels wordt de lichtoegang verzorgd door grote, met een segmentboog getoogde vensters met een roedenverdeling. In het fronton is een zonnewijzer geplaatst. Op de nok van het dak is een opengewerkt angelustorentje met een vierkante grondslag aangebracht. Boven de ingang is een hardstenen gedenksteen aangebracht waarin de stichting van dit deel onder Johannes Zwijssen wordt herdacht. Inwendig is het vloerniveau iets lager dan dat van de vleugel uit 1867. De vloeren van de brede gang zijn betegeld en de plafonds hebben eenvoudig stuclijstwerk. Aan de noordzijde, entree op de begane grond, bevindt zich de kapittelzaal of huiskapel. Het betreft hier een kleine kapel op rechthoekige brondslag met een sobere detaillering. De kapel heeft drie traveeën en is gedekt met polychrome kruisribgewelven met gedrukte bogen op halfronde kraagstenen. Ook zijn er muraalbogen gebruikt.Sobere lichtbeuk met per travee aan elke zijde een spitsboogvenster. De kapel heeft een houten vloer en een manshoge houten lambrisering met banken. Aan de rechte sluitingswand aan de noordelijke zijde is een groot doek van de schilder Pieter Thijssen uit circa 1675 bevestigd. Boven het gewelf van de kapittelzaal bevindt zich een kleine, lage vergaderruimte die via een trapje op de verdieping toegangkelijk is. De abdijkerk (onderdeel IV) is zowel via de begane grond als via de verdieping vanuit de kerk te bereiken. Via de verdieping kan men zo de galerij en de tribune van de kerk bereiken.

Het abdijcomplex is van algemeen belang. Het heeft cultuurhistorische waarden als bijzondere uitdrukking van de explosieve groei van het katholieke kloosterleven na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853. Het abdijcomplex heeft architectuurhistorisch belang vanwege de veelheid en diversiteit van de gebruikte neostijlen en vanwege de hoge architectonische kwaliteit die de afzonderlijke onderdelen bezitten. Tevens heeft het abdijcomplex architectuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van het zoeken naar een typologie voor het kloostergebouw in het algemeen. Met name de overgang van een meer herenhuisachtig karakter naar de meer gebruikelijke kloostertypologie is van belang. Het abdijcomplex heeft ensemblewaarden vanwege de wijze van verkaveling en inrichting. Het abdijcomplex is van belang vanwege de herkenbare uitstraling en vanwege de typologische en functionele zeldzaamheid.

Onderdeel IV, de Abdijkerk

ABDIJKERK, in twee gedeelten opgetrokken in 1881 en 1927. Het oudste gedeelte, de voormalige kloosterkapel is nu het koor van de kerk en is ontworpen in neogotische vormen door de architect Th. Asseler en voltooid door A.C. Bleijs. Bij het ontwerp is er rekening mee gehouden dat de kerk in een later stadium wellicht vergroot zou moeten worden. De sculptuur van onder andere de zuilen en de kapitelen is van de hand van J. Goossens uit 's-Hertogenbosch. In 1927 werd de kerk na een gift van de boerenbevolking op initiatief van de N.C.B., ter nagedachtenis aan de "boerenapostel" Pater van den Elsen (1855-1925), uitgebreid in Expressionistische vormen naar ontwerp van de architect H.W. Valk. Pater van den Elsen was de stichter en latere rector van het gymnasium van de abdij. Hij verwierf als mede-oprichter van de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond in 1896 een grote populariteit onder de plattelandsbevolking. Aan de zuidwesthoek van de voorgevel vervaardigde de Belg Jozef Cantré (1890-1957) in 1927 een zandstenen beeld van Pater van den Elsen. Aan de binnenzijde van de kerk was vooral de centrale plaats van het altaar, op de grens van het oude en nieuwe gedeelte een noviteit. De abdijkerk is gelegen ten oosten van onderdeel III en ten zuidwesten van onderdeel V.

Het oudste gedeelte van de kerk, de voormalige kloosterkapel, bevindt zich aan de noordzijde op een lichte verhoging die gelijk staat met de scheiding van het oude en nieuwe gedeelte. De plattegrond van deze voormalige basilicale kapel is driebeukig met een koorgedeelte met een 5/8 sluiting en twee kortere zijbeuken met een 3/8 sluiting. De buitenmuren van de oude kloosterkapel zijn opgetrokken in schoon metselwerk van een in kruisverband gemetselde, machinale baksteen. Het schip heeft een zadeldak met Maasgedekte leien; de met steunberen geschraagde zijbeuken hebben lessenaarsdaken, eveneens met Maasgedekte leien. Na de uitbreiding van de kerk in 1927 werd de voormalige kloosterkapel voornamelijk benut als priesterkoor met koorbanken. Het oude gedeelte telt drie traveeën en heeft in het middenschip een driedelige opstand met een arcade van bundelpijlers met bladkapitelen, een triforium met drie spitsboognissen gescheiden door ranke zuiltjes met bladkapitelen, en een lichtbeuk bestaande uit een spitsboogvenster met natuurstenen neogotisch maaswerk. De bundelpijlers hebben gepolijste zwarte hardstenen voeten en hoog opgaande colonnetten, die middels sierlijk bewerkte kraagstenen de stergewelven dragen. De opstand in de koorsluiting is tweedelig; een rij van blinde spitsboognissen met daarboven hoge spitsboogvensters met natuurstenen neogotisch maaswerk. In het koor bevinden zich de oorspronkelijke, zij het enigszins gewijzigde koorbanken van de abdijheren. In de koorsluiting bevindt zich een orgel uit 1931 dat in 1952 gerestaureerd en in 1970 verplaatst en sterk gewijzigd werd. Het orgel valt buiten de van rijkswege geldende bescherming. De westelijke zijbeuk heeft een interne toegang tot het kloostergebouw (onderdeel III), deze bestaat uit een fraaie, met neogotische vormen geornamenteerde paneeldeur. De inventaris van dit gedeelte bevat onder meer enkele neobarokke houten heiligenbeelden uit circa 1840. De vloer van de kerk is belegd met zwarte natuurstenen plavuizen. Het uit 1927 daterende nieuwe gedeelte van de kerk is iets lager gelegen dan het oude en is ruwweg vierkant van plattegrond. De gevels zijn opgetrokken in schoon metselwerk van een machinale baksteen, gemetseld in kruisverband. In de zuidwestelijke hoek is de klokkentoren op een eveneens vierkante grondslag geplaatst. De benedenverdieping hiervan doet tevens dienst als een soort ingangsportaal. De aan de zuidzijde van de toren gelegen ingang is omlijst met rondboogvormig siermetselwerk en heeft een dubbele houten klampdeur. De toren heeft drie geledingen met op de verdieping aan de westelijke en zuidelijke zijde twee gekoppelde lancetvensters. De tweede verdieping heeft aan alle zijden twee hoge, smalle galmgaten in de vorm van lancetvensters die door een gemetselde stijl in twee gedeeld worden. Hierboven bevindt zich een omlopende tandlijst. De hoog opgaande spits heeft Maasgedekte leien. In de zuidwestelijke hoek van de toren bevindt zich op enige hoogte het in 1927 door Jozef Cantré vervaardigde zandstenen beeld voorstellende Pater van den Elsen dat circa vier meter hoog is. Het overhoeks geplaatste beeld dat is opgebouwd uit verschillende grote zandstenen blokken, toont een op expressionistische manier vormgegeven gestileerde staande figuur in monnikspij met rozenkrans in de rechterhand. Naast zijn hoofd zijn een schild met daarop het wapen van de abdij en een ploeg met kruis (symbool van de NCB) afgebeeld. Het beeld is uitgevoerd als een half uit de steen vrijkomend reliëf. De zuidelijke zijde is verder geornamenteerd door een reeks van vijf naast elkaar geplaatste spitsboogvensters met driepasmotief en glas-in-lood. Hierboven bevindt zich het grote roosvenster met stervormig maaswerk en kleurig glas-in-lood. Aan de oostzijde bevindt zich een ondiepe kapel met een vijfhoekige sluiting. Het maaswerk van de spitsboogvensters is een eigentijdse interpretatie van de neogotische vormen van de oude kerk. In de kapel bevindt zich een uit 1950 daterend altaar met verglaasde keramiek naar ontwerp van M. van Helvert. Het schip, dat merkwaardig genoeg dwars tegen het oude gedeelte is geplaatst, heeft aan de zuidzijde een smalle travee. Het schip is overwelfd met een spitsboogvormig houten tongewelf. Het kerkmeubilair is eigenlijk dwars op deze oriëntering geplaatst. Intern is in dit nieuwe gedeelte voorzien van een galerij en een tribune aan de zuidzijde van het gebouw. De galerij en de tribune zijn toegankelijk vanuit de kloostervleugel uit 1857. Een opvallend element aan het interieur is verder de expressionistisch vormgegeven samengestelde kolom met gekarteld kapiteel. Deze is uitgevoerd in zwart marmer.

De abdijkerk is van algemeen belang. Het gebouw heeft cultuurhistorische waarden als bijzondere uitdrukking van de explosieve groei van het katholieke kloosterleven na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853. Het heeft architectuurhistorische belang vanwege de veelheid en diversiteit van de gebruikte neostijlen en vanwege de hoge architectonische en kunsthistorische kwaliteit die de afzonderlijke onderdelen bezitten. Het heeft ensemblewaarden vanwege de wijze van verkaveling en inrichting. Het is van belang vanwege het gaaf bewaarde karakter en vanwege de typologische en functionele zeldzaamheid.

Cultuur Historische Waardekaart

Klooster deel 1:

  • Bouwperiode:1867-1870
  • Bouwstijl: Eclecticisme
  • Architect: Asseler, Th.
  • Gevels en Materialen: Baksteen. Midden- en hoekrisalieten met fronton en nissen.
  • Vensters en Deuren: Acht- en zesruits schuiframen.
  • Dak en Bedekking: Zadeldak gedekt met leien. Dakruiter.
  • Interieur: Voormalige kapittelzaal met gestuct kruisribgewelf en oorspronkelijke polychromie.

Klooster deel 2:

  • Bouwperiode: 1867-1870
  • Bouwstijl: Eclecticisme
  • Architect: Asseler, Th.
  • Gevels en Materialen: Baksteen, twee topgevels met klimmende lijsten.
  • Vensters en Deuren: Getoogde kruisramen, kleine roedenverdeling. Entree met geometrisch bovenlicht. Rozetramen.
  • Dak en Bedekking: Schilddak gedekt met leien.
  • Interieur: Kloostergang rond hof met getoogde roedenramen.

MIP omschrijving (MIP nummer: HT048-005664)

  • Bouwstijl: Eclecticisme
  • Bouwperiode: 1867 tot: 1870
  • Gevels en materialen: Baksteen, gepleisterd.
  • Vensters en deuren: Kleine roedenramen.
  • Dak en bedekking:Zadeldaken gedekt met leien.
  • Bijgebouwen: Aan de voorzijde een gevelsteen met het haartalcijfer 1546, waarboven CVM (abt Coenraad van Malsen) en diens abtswapen.
  • Bijzonderheden: In de kerk drie zerken van de laatste abten van de oorspronkelijke abdij van Berne, namelijk Coenraad van Malsen (abt 1528-49), Otto van Boetselaar (1549-52), en Theodorus Spierinck (1552-84).
  • Omschrijving: De abdij van Berne. In het complex van neogotische en moderne abdijgebouwen opgenomen is het voormalige Speel..... van de abt van Berne, vermoedelijk oorspronkelijk een jachtslot van de hertogen van Brabant, dat in 1547 werd gebouwd en voorzien van een nog bestaande topgevel en vensterbogen, aan de achterzijde een trapgevel.

Onderdeel V, gymnasium (nu geheten abdijhuis)

Voormalig GYMNASIUM, in 1893 opgetrokken naar een ontwerp van de architect H.C. Dobbe in aan de Neo-Renaissance ontleende vormen. Door het toegenomen aantal internaatsleerlingen volgde In 1906 een tweede uitbreiding in oostelijke richting. Hierbij werden het middengedeelte met trapgevel en de oostelijke vleugel geconstrueerd naar ontwerp van de Bosse architect A. van Kempen. De stijl en de vormgeving van het door Dobbe ontworpen gedeelte werden hierbij gerespecteerd. Het gymnasium heeft tegenwoordig geen internaatsfunctie meer maar dient vooral tot huisvesting voor verschillende externe cursussen en als gastenverblijf. Aan de oost- en noordzijde bevinden zich enkele recentere aanbouwen die buiten de van rijkswege geldende bescherming vallen; de laatste hiervan dateert uit 1999. Ook deze ruimtes worden voor cursusonderwijs gebruikt.

Groot bouwlichaam van twee hoge etages op een rechthoekige grondslag met gevels in schoon metselwerk onder een zadeldak met leien in Maasdekking. Het voormalige gymnasium is gesitueerd aan de oostzijde van de abdijkerk en is intern met de achterzijde hiervan verbonden. Het pand is symmetrisch van opzet en telt zes traveen aan weerszijden van het iets risalerende middengedeelte met trapgevel dat twee traveen heeft. Alle vensters en ramen zijn identiek van formaat, opbouw en indeling. De vensteropeningen zijn licht getoogd, hebben hardstenen onderdorpels en sierlijk bewerkte houten kruiskozijnen met een 24-ruits verdeling. De vensters zijn verder geornamenteerd met siermetselwerk in verblendsteen aan de onder- en bovenzijde. Ook het overige gedeelte van de voorgevel is rijk geornamenteerd met banden van siermetselwerk in gele verblendsteen. Onder de goot bevindt zich een uitspringend keperfries met daaronder siermetselwerk met uitsparingen en daaronder weer een tandlijst. In de gevel zijn verder eenvoudige ijzeren steekankers aangebracht. In de dakvlakken aan de voorzijde zijn acht vierkante vensters met klapramen aangebracht om de zolderruimte voor gebruik geschikt te maken. De middenrisaliet wordt bekroond met een trapgevel en heeft vooral een functie als ingangsgedeelte. Hier is de grote trap gesitueerd waarbij aan de achterzijde een in 1950 door M. van Helvert vervaardigd groot venster met glas-in-lood is aangebracht. Aan de achterzijde is het gebouw aanmerkelijk soberder van detaillering dan aan de voorzijde. De vensters zijn identiek in vorm, opbouw en indeling aan die van de voorzijde maar de uitvoerige metselwerkornamentiek ontbreekt hier. De middenrisaliet; hier zonder topgevel, is een product van de jaren vijftig van de twintigste eeuw. In de dakvlakken zijn zes vierkante vensters met klapramen aangebracht. De oostelijke gevel, die deels overloopt in een uit 1996 daterende aanbouw heeft enkele kleine vensters en metalen brandtrap. Intern heeft het pand twee verdiepingen met logeerkamers en zijn er ruime gangen die over de lengteas lopen.

Het voormalig gymnasium is van algemeen belang. Het heeft cultuurhistorische waarden als bijzondere uitdrukking van de explosieve groei van het katholieke kloosterleven na het herstel van de bisschoppelijke hirarchie in 1853. Het heeft architectuurhistorische belang vanwege de veelheid en diversiteit van de gebruikte neo-stijlen en vanwege de hoge architectonische kwaliteit die de afzonderlijke onderdelen bezitten. Het heeft ensemblewaarden vanwege de wijze van verkaveling en inrichting. Het is van belang vanwege het gaaf bewaarde karakter en vanwege de typologische en functionele zeldzaamheid. Hierin een kapel.

Externe links

Afbeeldingen

Exterieur

Interieur