Handelingen

Mierlo, Heer van Scherpenzeelweg 19 - Lucia

Uit Reliwiki


Bezig met het laden van de kaart...
Algemene gegevens
Naam kerk: Lucia
Genootschap: Rooms Katholieke Kerk
Provincie: Noord-Brabant
Gemeente: Geldrop-Mierlo
Plaats: Mierlo
Adres: Heer van Scherpenzeelweg 19
Postcode: 5731EG
Inventarisatienummer:
Jaar ingebruikname: 1858
Architect: Tulder, H.J. van
Huidige bestemming: kerk en pastorie
Monument status: Rijksmonument 513690

Geschiedenis

Belangrijke vroege neogotische kerk met flinke toren.

Op plaats voormalige kerk, basis toren van oude kerk.

Historie Mierlo; bron: parochienicasius.nl

De parochie van Mierlo is toegewijd aan de H. Lucia. Deze heilige zou in 304 op Sicilië de marteldood gestorven zijn. Zij wordt vaak in verband gebracht met de H. Agatha, die zij aangeroepen zou hebben om genezing voor haar zieke moeder. Beide heiligen zijn in de gebrandschilderde ramen van onze parochiekerk afgebeeld. In de 14e en 15e eeuw verspreidde de verering zich over de Belgische Kempen en het oostelijk deel van Noord-Brabant. In 1485 was in de parochiekerk al een altaar aan haar gewijd. Zij staat afgebeeld in het wapen van de voormalige gemeente Mierlo en haar naam komt nog in een aantal verenigingen voor.

Tot 1315 had de Heer van Mierlo het recht om in onze gemeente de priesters te benoemen. Vanaf dat jaar ging het patronaatsrecht over naar de abt van Tongerlo. Eerste pastoor was Joannes van Massenhoven.

In 1792 tekende Hendrik Verhees de oude kerk van Mierlo. Bij de tekening vermelde hij dat in steen het bouwjaar 1496 aangegeven was. De huidige kerk staat nog steeds op dezelfde plaats. Joannes Moens, pastoor van 1521 tot 1556, schonk in 1527 de kerk een zilveren Monstrans van de Bredase zilversmid Jan Gendolfs, die momenteel in bruikleen is bij het Museum voor Religieuze Kunst in Uden. In 1648 kwam een einde aan de 80-jarige oorlog met de Vrede van Münster. De kerken kwamen in handen van de protestanten. Beelden, misgewaden e.d. werden door de katholieken ondergebracht bij parochianen. Priesters kregen het bevel om te vertrekken. Aanvankelijk ging men buiten Staats-Brabant naar de kerk. Mierlonaren gingen naar Weert. De afstanden waren echter groot en het beleid van de overheid werd, na de inval van de Fransen in 1672, soepeler. Eind 17e eeuw kreeg Mierlo zijn schuurkerk. Deze kerken, die in het algemeen door de overheid toegestaan werden, waren eenvoudig ingericht. Zij mochten van buiten niet op een kerk lijken. Pastoor Gregorius Cotermans (1749-1756) kreeg in 1751 verlof van de Staten om de schuurkerk te herbouwen. In de schuurkerk zat een hoogaltaar, een altaar van O.L.V. en H. Lucia en een altaar van de H. Joseph en Gregorius. Het altaar van O.L. Vrouw en St. Catharina was gemaakt door de gilde van St. Catharina. Het altaar van de H. Lucia en St. Sebastiaan door de gilde van St. Sebastiaan. De preekstoel was een werkstuk van de gildebroeders van de H. Antonius. Pastoor Franciscus Michielssens (1756-1770) kreeg problemen met president Schepen Johannes van Eijck “woonende op Over den Acker ontrent het kasteel”, waardoor hij van verdriet gestorven zou zijn. De schepen kwam iedere zondag in het portaal van de kerk collecteren voor de armen. Michielssens zag dat als een grote bedreiging voor zijn “schaal omgang”. Zijn opvolger Sebastianus van Kerkhoven (1770-1797) voerde hierover een uitgebreide briefwisseling met de heer van Mierlo. Van Eijck werd verboden om nog te collecteren in het kerkportaal. Van Kerkhoven schreef in zijn Manuale pastoris zijn verplichtingen op zon- en heiligdagen: op zondag deed hij twee missen, een gezongen en een gelezen mis. De eerste mis om 06.00 uur, de tweede 2 uren nadat de eerste uit was. “In den winter begint de eerste misse gemeijnelijk naer 7 uren, ontrent halver acht en de somtijts nog wel laeter, naer advenant dat het weder is”. ’s Middags om 2 uur begon de Rozenkrans en op de eerste en de derde zondag van de maand na de Rozenkrans de catechismus. Daarna was het Lof en op de eerste en derde zondag van de maand na het Lof processie. Als de kinderen de Eerste Communie deden gebeurde dat “een halve ure naer de eerste misse, ter oorsaake van het groot gedrang van het volck”.

In de periode van 1785 tot 1789 was Isfridus Thijs kapelaan in Mierlo. Hij leverde een belangrijke bijdrage aan de kennis en ontwikkeling van de landbouw in Brabant. In deze periode schreef hij zijn “Memorie of Vertoog over het uytgeven en tot culture brengen der vage en inculte gronden in de Meyerye van ’s Hertogenbosch”. Hij was een groot voorstander van ontginningen en gaf aan welke heidevelden wel en niet geschikt waren voor deze ontginning en hij beschreef dat het mest is “als eenen Tweede Godt”. Mierlo behoorde begin 1800 in de Meijerij van ’s Hertogenbosch tot de gemeenten met het grootste aantal hectaren ontginningen. Op 5 augustus 1795 werd de scheiding van staat en kerk een feit, waardoor gelijkheid en vrijheid van godsdienst ontstond. In 1798 kwam, na 150 jaren, een einde aan de naasting van de katholieke kerken. Evenals in vele andere gemeenten gaf ook in Mierlo de overdracht van de kerkelijke gebouwen problemen. Pastoor van Genechten (1797-1806) was zo wat zijn gehele periode als pastoor te Mierlo bezig met onderhandelingen over de te betalen vergoeding aan de Gereformeerden, die uiteindelijk van hogerhand bepaald werd op ƒ 6.000,-. Toch zou het nog tot 6 augustus 1819 duren voordat pastoor Henricus Pompen zijn intrek nam in de pastorie. De Mierlonaren waren het niet eens over de kerk die men voor diensten in gebruik wilde nemen. Sommigen hielden vast aan de bestaande plaats van de schuurkerk in de Marktstraat. Anderen, met name de bewoners van Overakker, waren voor het gebruik van de oude kerk. Uiteindelijk moest een volksstemming uitsluitsel geven. Het overgrote deel van de Mierlose mensen sprak zijn voorkeur uit voor de oude kerk. Op 14 augustus 1818 betaalde pastoor Pompen 1 gulden en 3 stuivers voor het ”zuijveren” van de kerk, waarna het gebouw in gebruik werd genomen.

Tot 1818 werd de pastoor van de H. Lucia parochie benoemd door de abt van Tongerlo, daarna kregen wij seculiere (behoren niet tot een bepaalde orde) priesters. De laatste Norbertijn was Franciscus van Elswijck (1806-1818). Door zijn overlijden in 1819 was Pompen slechts even pastoor van Mierlo. Tijdens de ambtsperiode van Marcellinus Goosens (1819-1832) gebeurde er weinig opzienbarends. Aan zijn kasadministratie te zien was hij veel tijd en geld kwijt aan het onderhoud van zijn kerk en pastorie. Joannes van de Pol (1832-1837) besloot een nieuwe pastorie te bouwen. In 1833 verkocht hij bij openbare verkoping de afbraak van de oude pastorie voor ƒ 303,61. De nieuwbouw kwam het jaar daarop tot stand. Deze pastoor probeerde al in 1837 subsidie te krijgen van de gemeente voor de vernieuwing van de oude kerk, hetgeen hem niet lukte.

Reijnerus Vissers, zijn opvolger is de “langstzittende” pastoor in onze parochie geweest (1837-1883). Hij liet de plannen van zijn voorganger voor vernieuwing van het kerkgebouw voorlopig rusten. De kas was te leeg, door de bouw van de nieuwe pastorie en er was toen weinig financiële steun. In 1845 vroeg hij architect A. van Veghel een tekening te maken en klopte ook bij de gemeente aan voor subsidie. Het gemeentebestuur was daartoe wel bereid, omdat zij de slechte toestand waarin het kerkgebouw zich bevond onderschreef. Men was echter in een proces verwikkeld geraakt door de Heer van Mierlo, die beweerde recht te hebben op gronden van de gemeente. Werd dit proces verloren dan zou een groot deel van de inkomsten wegvallen en de gemeente genoodzaakt kunnen worden hoge proceskosten te betalen. Hierdoor kwam het plan opnieuw stil te liggen.

Het duurde tot 1856 voordat het proces in het voordeel van de gemeente werd beslist. Toen kwam de subsidie, die in totaal ƒ 12.000,- zou bedragen. Inmiddels waren de kuilen voor het blussen van kalk al op het kerkhof gegraven en er waren grote hoeveelheden brandhout gekocht “voor het stoken” van de stenen. Aangezien de Mierlose capaciteit niet groot genoeg was, werden elders nog 40.000 Maastrichtse stenen gekocht. De oude kerk werd afgebroken, met uitzondering van de toren, die ommuurd en verhoogd werd. Op 6 juni 1856 werd de eerste steen gelegd van de neogotische kerk van de Tilburgse architect Hendrik van Tulder. Hoewel op 1 november 1858 de eerste H. Mis werd opgedragen, was het gebouw aan de binnenkant nog niet klaar vanwege geldgebrek. In 1859 werd de kerk “bepleisterd”. Voor de bouw van de kerk had het kerkbestuur bij verschillende mensen aanzienlijke bedragen geleend. De jaren die daar op volgden werden gekenmerkt door het voortdurend zoeken van nieuwe geldverstrekkers om bestaande leningen af te kunnen lossen. Een periode volgde, waarin de kerk vaak getroffen werd door zware storm met als gevolg veel schade aan toren en dak. Kort na de komst van pastoor J. van Eert (1883-1904) werd Mierlo-Hout op 1 september 1884 een zelfstandige parochie. In de jaren 90 van de 19e eeuw kwam de kerk in rustiger financieel vaarwater. Dit uitte zich in een verdere “aankleding” van het interieur. In 1890 werd besloten Frans van Beers, directeur der Koninklijke School voor Nuttige en Beeldende Kunsten in Den Bosch, een nieuwe Kruisweg te laten schilderen, die de 14 staties van de Eindhovense schilder Lambertus van den Wildenberg uit 1842 moest vervangen. Uit schenkingen van o.a. parochianen werden een aantal beelden in de kerk geplaatst. In 1899 werd de kerk aan de binnenkant gepolychromeerd. In 1873 had men al plannen om de kerk “te kleuren of te beschilderen”, maar dat bleek toen niet betaalbaar. Pastoor de Winter (1904-1929) liet in 1905 een nieuwe pastorie bouwen. De architect van de pastorie J. van Groenendael uit Vught begeleidde in 1907 tevens de restauratie van de buitenkant van de kerk. In 1914 werd de kerk en pastorie voorzien van een elektrische installatie.

Theodorus van Lierop, pastoor van 1929 tot 1961, hield zich weer meer bezig met de binnenkant van de kerk. Er kwam een nieuw orgel, hoofdaltaar en preekstoel. Aan de eenvoudige motieven van de gebrandschilderde ramen van schip en transept werden heiligenvoorstellingen toegevoegd.

In de jaren zestig kwam een omwenteling in de gedachten over hoe het interieur van een kerk er uit moest zien. Zo ook in Mierlo: de muren werden wit, de beelden verdwenen. Preekstoelen, communiebanken en altaren moesten plaats maken voor een andere indeling. De priester en het altaar kregen een andere plaats. Bij de laatste restauratie begin jaren tachtig kwam weer een stuk van de kleur terug in de kerk, evenals de beelden die enige tijd op zolder gestaan hadden.

Monumentomschrijving Rijksdienst

St. LUCIAKERK, gebouwd in neogotische stijl tussen 1856 en 1858 naar ontwerp van H.J. van Tulder. De kerk staat op de plek van de oude middeleeuwse kerk. De toren hiervan is ombouwd. In 1936 voegde architect C. van Moorsel er een nieuwe sacristie en kinderkapellen aan toe. Bij recente restauraties zijn de oorspronkelijke polychromie en de kerkbanken in het interieur verdwenen, een deel van de handvorm baksteen is vervangen door machinale baksteen.

Omschrijving

De kruisvormige basilicale kerk met centrale westtoren en dakruiter is driebeukig en telt tot het transept vijf traveeën. Het koor telt twee traveeën en heeft een driezijdige sluiting.

De gevels zijn opgetrokken uit handvorm baksteen met vlechtingen in de topgevels bij de zijbeuken. De zadeldaken zijn bekleed met leien in maasdekking; elk venster van de zijbeuken heeft een zadeldak dat het lessenaardak ervan doorbreekt. Op de kruising van transept en schip een achthoekige dakruiter met opengewerkte spitsboogjes en een ingesnoerde naaldspits met vergulde bol en kruis.

De westgevel bezit overhoeks geplaatste steunberen bekroond door hardstenen pinakels. De plint is van hardsteen. Aan weerskanten van de toren een klimmend driepasfries. De toren bestaat uit vier geledingen. In de steunberen blindnissen en hardstenen traceringen en pinakels, horizontale geleding door hardsteen cordonlijsten.

In de eerste geleding een portaal in laat-gotische stijl, onder ezelsrugboog. De vleugeldeur wordt geflankeerd door een geprofileerd basement en dagkanten, hardstenen zuiltjes met pinakel, op de boog met hogels een toppinakel. De boogvulling is van hardsteen vierpasmaaswerk. In de tweede geleding bevindt zich een roosvenster met visblaastracering. Onder de cordonlijst een driepasfries.

De derde geleding heeft boven een vierpasfries een lancetfries met driepas.

De vierde geleding bevat galmgaten onder een spitsbooglijst. Aan de vier zijden een steile topgevel geflankeerd door dubbele uitkragende spitsen. Hierboven een zeshoekige spits met leien in maasdekking en bol, kruis en windvaan.

De zij- en achtergevels hebben eenvoudige baksteen steunberen met versnijding, afzaat en waterspuwer. Hiertussen de spitsboogvensters met afzaat en verschillende neogotische kalksteen tracering en glas-in-lood. Boven de zijbeukvensters natuursteen wenkbrauwbogen.

De tracering is opgebouwd uit drie lancetten, alternerend bekroond door staande en liggende vierpassen met driepas en visblaas. De transeptfaçade is gevat tussen drie keer versneden overhoeks geplaatste steunberen, eindigend in een achthoekige pijler met bakstenen spits. Het venster is opgebouwd uit drie lancetten bekroond door driepas in sferische driehoek waar boven zeslobbige rozet. Tussen het koor en transept okselkapellen. Oostelijk daarvan bevindt zich een lager aangezette koorkapel. Aan de noordzijde bevindt zich de sacristie uit 1936, met als huisnummer 4A. Tussen de zware lage steunberen bevinden zich gekoppelde spitsboogvensters met diefijzers. Boven is een balustrade opgemetseld. Het koor bezit smeedijzeren ankers ter hoogte van gewelf en raaminzet. In de gevel is een eerste steen aangebracht met tekst: DOM Primem lapidem posuit R. Vissers pastor 6 juni MDCCCLVI.

De binnenmuren en gewelven zijn gepleisterd. Tussen de spitsbogen die de ruimte verdelen bundelpijlers die leiden naar de geprofileerde kruisribgewelven met bewerkte sluitstenen. In het priesterkoor bevinden zich glas-in-loodramen van Jos Menke uit Goch, daterend 1899. De vensters hebben Petrus, de H. Lucia tussen Maria en Jozef, Paulus, als onderwerp. In het schip bevinden zich grisaille ramen van F. Nicolas & Zn uit Roermond, 1896. De figuratieve elementen hierin dateren uit 1950. In de kerk horen 14 kruiswegstaties op doek thuis, geschilderd door F.G.J. Beers uit Antwerpen, tussen 1890 en 1892.

Tot het kerkmeubilair hoort verder onder meer; een doopvont uit het einde van de achttiende eeuw door Jac. Pijpers, met een deksel uit ca. 1935. Voorts een eikenhouten altaartombe uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Hierbij; een tabernakel uit ca. 1935, door Zimmerman en Van Wijnhoven. Het orgel uit 1930. Orgel en orgelkas zijn niet van waarde uit het oogpunt van monumentenzorg. Tenslotte diverse heiligenbeelden.

De kerk wordt deels omgeven door een lage vernieuwde bakstenen muur voorzien van oude hardstenen pijlerbekroningen.

Waardering

Het kerkgebouw met sacristie is van algemeen belang. Het heeft cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van een sociale en geestelijke ontwikkeling, in het bijzonder de ontwikkeling van het katholicisme in de tweede helft van de negentiende eeuw en de vorming van parochiecentra op het platteland. Het is tevens van belang voor de geschiedenis van de nederzetting, vanwege de continuïteit van het kerkelijk gebruik die tot uitdrukking komt in de aanwezigheid van de middeleeuwse toren, welke in de neogotische kerk is opgenomen. Het heeft architectuurhistorisch belang vanwege de plaats in het werk van de architect Van Tulder, als bijzonder voorbeeld van de verwerking van motieven uit de Brabantse dorpsgotiek met elementen van de zuidelijke Neogotiek, welke Van Tulder tijdens zijn Belgische opleiding heeft leren kennen. Het gebouw heeft ensemblewaarden in samenhang met pastorie en parochiehuis. Het is gaaf bewaard gebleven en typologisch zeldzaam.

Cultuur Historische Waardekaart

  • Bouwperiode: 1858
  • Bouwstijl: Neo-gotiek
  • Architect: Tulder, H.J. van
  • Gevels en Materialen:
    • Kerk: baksteen met natuursteen, spitsboogfriezen en hogels.
    • Pastorie (met bijgebouw): nr. 6 Baron van Scherpenzeel-Heuschweg uit 1906. Tweelaags baksteen. Hardsteen plint; originele paneeldeur met smeedijzeren rooster. Schilddak.
  • Vensters en Deuren: Kerk: glas-in-lood ramen van Pieter Wiegersma uit circa 1950, spitsboogvensters met flamboyante stenen tracering. Pastorie: ramen met roedeverdeling, dubbele paneeltussendeuren met smeedijzeren roosters onder segmentboog.
  • Dak en Bedekking: Kerk: zadeldaken met leien in maasdekking, spitsdak op toren en dakruiter. Pastorie: mansardedak met leien in maasdekking, bijgebouw met tuitgevel. Heeft zadeldak en muldenpannen.
  • Bijgebouwen: Bij de kerk (hardsteen) zerk: 1854-1886 priester Eycken. Kerkhof:graven priesters, burgemeesters, en vrouwen daarvan. Vrijwel allen hardsteen zerken, alleen de nieuwste van Scandinavisch graniet.
  • Bijzonderheden: Basilicale kruiskerk met 2 bij 4 zijkapellen. Een centrale westtoren, dakruiter en vijfzijdige absis waarin een gevelsteen" DOM primem lapidem posuit R. VISSERS PASTOR 6 Juni MDCCCLVI. Er is een calvarieberg uit 1919 door metselaar H. Knoops, met pieta en daarboven Christus met Maria en Johannes. Het gedecoreerde ijzeren hekwerk langs het kerkhof is nog grotendeels intact.

Externe links

Afbeeldingen

Exterieur

Interieur