Handelingen

Oploo, Grotestraat 15 - Matthias

Uit Reliwiki


Bezig met het laden van de kaart...
Algemene gegevens
Naam kerk: St. Matthiaskerk
Genootschap: Rooms Katholieke Kerk
Provincie: Noord-Brabant
Gemeente: Sint Anthonis
Plaats: Oploo
Adres: Grotestraat 15
Postcode: 5841AA
Inventarisatienummer: 08034
Jaar ingebruikname: 1835
Architect: Leur, H.C. van de (uitbreiding)
Huidige bestemming: kerk met begraafplaats
Monument status: Rijksmonument 519226


Geschiedenis

Verving oude kerk, uitbreidingen in 1890 en in 1929.

Plan sluiting in 2013. Sinds najaar 2010 is dit een kerk binnen de streekparochie "Maria Moeder van de Kerk", bestaande uit 14 locaties/kerken. Voorjaar 2012 werd het voornemen bekend, 9 van deze kerken te sluiten. Gehandhaafd blijven volgens dit plan de 4 kerken te Sint Anthonis, Wanroij, Overloon en Oeffelt, en de kapel te Groeningen.

Monumentomschrijving Rijksdienst

De in hoofdzaak Neogotische KERK van de in 1730 gestichte parochie van Sint Matthias is in 1730-1732 als schuurkerk gebouwd, naast de later verdwenen middeleeuwse kapel en is na een restauratie in 1800 in 1834-1835 herbouwd in Waterstaatsstijl. In 1890 werd een nieuw koor met twee kruisarmen gebouwd, waarna in 1905 de toren verhoogd en met machinale baksteen beklampt werd. In 1929 vond naar plannen van H.C. van de Leur een grootscheepse uitbreiding plaats, waarbij een tweede transept, jongens- en meisjeskapellen en sacristie tot stand kwamen. Alle verbouwingen vonden vanaf 1890 plaats in neogotische stijl, waarbij de kapconstructie der schuurkerk van 1730-1732 behouden bleef. In de zuidbeuk een jaarsteen.

Omschrijving

Kerkgebouw met samengestelde plattegrond, opgetrokken uit baksteen met spaarzaam gebruik van natuursteen, langzamerhand uitgebouwd tot een ruime centraalbouw met gecompliceerde in stuc uitgevoerde gewelven. Het gebouw bestaat uit toren, dubbel transept met driezijdige sluitingen en nevenruimten, een koor van een travee met driezijdige sluitingen en aansluitend een plat gedekte sacristie en kinderkapellen.

Samengestelde zadel- en schilddaken met leien in maasdekking.

De toren telt drie geledingen en dateert in oorsprong tenminste uit 1834. Van deze toren zijn na de ommetseling van 1905 in de blinde nissen nog delen van het metselwerk en de galmgaten zichtbaar. Overhoekse steunberen en aangebouwde ronde traptoren met kegeldak. De eerste geleding heeft een neogotisch portaal met een spitsboog rustend op natuurstenen zuiltjes met kapiteel. Dubbele deuren met smeedijzeren beslag en bovenlicht met driepas en cirkel. In de tweede geleding twee met een driepas afgesloten blindnissen. In de derde geleding smalle spitsbogige galmopeningen boven een driepasnis, samengevat in een spitsbogig spaarveld. Op een rijke tandlijst uitkragende neogotische balustrade met spitsboognissen en hoekpinakels. Achtzijdige spits met vier dakkapellen en open lantaarn op een lage achthoekige bakstenen onderbouw met nissen en wijzerplaten. Inwendig handvormsteen en oude eiken balklagen tot aan de klokkengeleding. Het schip heeft deels haakse steunberen en tweedelige spitsboogramen met natuurstenen traceringen. Deze eenvoudige vormgeving wordt herhaald aan de beide transeptarmen, die op intrigerende en handige wijze geconstrueerd, een min of meer centraliserend karakter aan de ruimte geven. Tussen de armen telkens een lage nevenruimte met schilddak. Het koor heeft iets hoger muurwerk met eenvoudige neogotische vormentaal en gaat deels schuil achter een enveloppe van lage en plat gedekt nevenruimten met hooggeplaatste segmentboogramen.

De in 1952 in grijstinten geschilderde kerkruimte bestaat gezien vanuit de toren uit een smalle, eenbeukige travee met tongewelf boven orgel en orgelgalerij. Op deze travee sluit een dwarsbeuk aan met stergewelf met koepeltje in stuc en in de armen kruisribgewelven en driezijdige sluitingen. Slanke kolommen vormen de overgang naar de eerste travee. De daaropvolgende smalle travee bevat weer het oude tongewelf en heeft aan weerszijden dwarsmuren, gedragen op granieten zuiltjes met bladkapitelen. Halve en klimmende kruisgewelven vormen de overgang naar de lagere nevenruimten tussen de transeptarmen in, welke ieder een cassettenplafond met klein middenkoepeltje hebben. In deze verbindingstravee een rondvenster. Het daaropvolgde transept herhaalt de vormen van het westelijke transept en sluit aan op het koor. Dit bestaat uit een vierkante travee en een driezijdige sluiting, met hooggeplaatste tweedelige spitsboogramen en kruisribgewelven in baksteen. Links en rechts zijn de meisjes- en jongenskapellen thans van de kerk afgescheiden.

Over de middenbeuk, deels onderbroken door de twee uitgebouwde kruisarmen bevindt zich de zeven spanten en acht vakken omvattende eiken bekapping uit de achttiende eeuw, voorzien van gehakte telmerken. Zij bestaat uit een sporenkap met twee op elkaar geplaatste schaargebinten waarop een driehoekspant met makelaar en nokgording. In het onderste gebint is het tongewelf met latten en stuc geconstrueerd. Op de horizontale gordingen eiken sporen en grenen beschot.

In de kerk onder meer een paneel van een houten biechtstoel uit 1730, vier panelen van een preekstoel uit het eerste kwart van de vorige eeuw, een Catharinabeeld van Petrus Verhoeven van kort na 1785, beelden van Hubertus (ca. 1800) en Isidorus (1875), een staakmadonna (18e eeuw), een H. Hartbeeld (begin 20ste eeuw), een mogelijk middeleeuws eikenhouten kruisbeeld, schilderijen van de Aanbidding der Wijzen (ca. 1600), de Annunciatie (ca. 1700) en Maria Tenhemelopneming (18de eeuw) en een neogotische kruisweg van het atelier Mengelberg (1901-1923). Het laat 18de eeuwse, uit Sonsbeck afkomstige en hier in 1862 geplaatste orgel heeft een zevendelig front met drie pijpentorens en bekronende putti en is geplaatst op een houten galerij met gesneden ajourbalustrade op composiete kolommetjes. Het huidige hoogaltaar is in 1956-1962 gemaakt door H. van den Thillart uit Den Bosch.

Waardering

Het kerkgebouw is van algemeen belang en heeft cultuurhistorische waarde als uitdrukking van een geestelijke ontwikkeling. Het heeft architectonische waarde als representant van de geleidelijke uitgroei van een eenvoudige schuurkerk tot centraliserend en aan nieuwe liturgische opvattingen aangepast kerkgebouw en vanwege de plaats in het werk van Van de Leur. Het heeft ensemblewaarden vanwege de betekenis voor het aanzien van het kerkdorp. Het is gaaf bewaard gebleven en kent een hoge zeldzaamheidswaarde vanwege de uniciteit van de bekapping der schuurkerk uit de achttiende eeuw.

MIP omschrijving

  • Naam monument: St. Matthias
  • Bouwstijl: Neogotiek
  • Bouwperiode: 1834 tot: 1835
  • Gevels en materialen: Bakstenen torens en gevels, in blindnissen toren handvorm baksteen. Muizentanden.
  • Vensters en deuren: Eenvoudige kunststenen tracéringen, dubbele lancet en oculus.
  • Dak en bedekking: Zadeldaken met eindschilden. Neogotische dakkapellen. Achtkantige naaldspits. Lei in Maasdekking.
  • Bijgebouwen: Kerkhof.
  • Groen: Twee leilinden aan zuidzijde kerk (stamomvang max. 200 cm).
  • Bijzonderheden: Kerkhof met pastoorsgraf, steen uit circa 1900, hardsteen. Beukenhaag, twee linden (circa 140 cm omtrek) bij ingang.
  • Omschrijving: Jaartalsteen (1929) in zuidbeuk. De middeleeuwse kerk van Oploo is in 1800 gerestaureerd, in 1834 volgde nieuwbouw. In 1890 werd de eenbeukige kerk met een nieuw koor en sacristie verlengd, in 1905 werd de toren verhoogd en in 1929 vond een grootscheepse uitbreiding plaats onder architectuur van H. van de Leur. Een dubbel transept en driezijdig gesloten koorapsis (met sacristie en annexen) werden tegen de ommetselde toren gebouwd.

Orgel

Het orgel is rond 1790 gebouwd, mogelijk door J.D. Nolting & Zoon (Emmerich) voor een tot dusver onbekende opdrachtgever, mogelijk een klooster. In 1803 wordt het overgeplaatst naar de kerk van de H. Maria Magdalena te Sonsbeck. De orgelmaker J. Winkels uit Boxmeer plaatst het in 1863 in de kerk van Oploo. Hij vernieuwt vele onderdelen, zoals de windladen van beide manualen en de tractuur en hij wijzigt de dispositie. In 1931 vervangt de firma Gebr. Vermeulen (Weert) de sleepladen door pneumatische kegelladen, wijzigt nogmaals de dispositie en breidt deze uit met een zelfstandig pedaal. In 1968 restaureert de firma Vermeulen het instrument en past de dispositie aan de veranderde opvattingen aan. In 2008-09 wordt het instrument gerestaureerd door de firma Pels & Van Leeuwen ('s-Hertogenbosch). Het orgel wordt dan weer voorzien van mechanische sleepladen en de dispositie wordt zoveel als mogelijk is teruggebracht in de oorspronkelijke staat. Ontbrekende onderdelen worden gemaakt naar het voorbeeld van de Nolting-orgels in Zeddam en Gendringen. Het nieuwe pedaal wordt in open opstelling achter de orgelkas geplaatst.

Dispositie
  • Hoofdwerk (manuaal 1): Bordun 16' - Prestant 8' (2009) - Bordun 8' - Prestant 4' (2009) - Flöthe 4' - Quint 3' (2009) - Octav 2' - Mixtuur 1⅓' 4 sterk (2009) - Trompete 8' bas/discant (2009).
  • Positief (manuaal 2): Gedact 8' - Flöthe Dolce 8' (C-H in Gedact) - Prestant 4' - Flöthe douce 4' - Octav 2' (2009) - Quint 1⅓' (2009) - Flageolet 1' (2009) - Krummhorn 8' bas/discant (1968).
  • Pedaal: Bordun 16' (1931) - Flöthe 8' - Octav 4' - Trompete 8' (2009).
  • Koppelingen: Hoofdwerk aan Pedaal - Manuaalkoppeling bas/discant.

Mechanische sleepladen. Manuaalomvang: C-g3. Pedaalomvang: C-d1. Toonhoogte: a1 = 442 Hz. Winddruk: 69 mm. WK. (Hoofdwerk, pedaal), 65 mm. WK. (Positief).

Externe link

Afbeeldingen

Exterieur

Interieur