Handelingen

Rhenen, Achterbergsestraatweg 59a - Gereformeerde Gemeente (1957 - 2001)

Uit Reliwiki


Bezig met het laden van de kaart...
Algemene gegevens
Naam kerk: Gereformeerde Gemeente
Genootschap: Gereformeerde Gemeente
Provincie: Utrecht
Gemeente: Rhenen
Plaats: Rhenen
Adres: Achterbergsestraatweg 59a
Postcode: 3911CR
Inventarisatienummer: 04241
Jaar ingebruikname: 1957
Architect:
Huidige bestemming: gesloopt
Monument status: geen


Geschiedenis

Gemeente gesticht in 1932. Houten kerkgebouw uit 1957. Gesloopt en vervangen in 2001.

Ontstaan

De Gereformeerde Gemeente in Rhenen ontstaat rond 1928. Een aantal Rhenenaren verlaat dan de Oud Gereformeerde Gemeente aan de Bantuinweg en gaat apart kerkdiensten houden. Op 9 augustus 1928 wordt de eerste vergadering belegd. W. van de Vate –later ook wethouder in Rhenen– wordt gevraagd voor te gaan in de diensten. Korte tijd later sluit de groep zich aan bij de Gereformeerde Gemeente in Veenendaal. Als ds. R. Kok in 1930 predikant wordt in Veenendaal komt er vaart in de zaak en op 8 maart 1932 wordt de gemeente officieel geïnstitueerd.

De gemeente komt dan samen in de oude sigarenfabriek die onder aan de molen staat in het Koningin Elizabeth-plantsoen in Rhenen. Vrijwel op de plaats waar nu het kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente in Nederland staat.

Het kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente loopt in de strijd van de meidagen 1940 vrijwel geen schade op. Over het precieze reilen en zeilen van het kerkelijk leven tijdens de oorlog is weinig bekend. De notulen stoppen in 1940 en gaan na de oorlog pas weer verder.

Al snel na de oorlog ontstaat het idee een nieuwe kerk te bouwen, tenslotte is en blijft de oude sigarenfabriek maar een noodgebouw. Tijdens de ledenvergadering van 16 januari 1950 valt het besluit: We gaan bouwen. De vergunning komt rond en op zondag 8 april 1951 wordt de laatste dienst in de oude sigarenfabriek gehouden. Dan gaat de slopershamer erin. Op 3 augustus 1951 wordt de eerste mijlpaal bereikt. Die dag legt de consulent, ds. M. Heerschap, predikant van de Gereformeerde Gemeente in Wageningen de eerste steen. De bouw blijft ook daarna voorspoedig verlopen. En op 12 december 1951 neemt de Wageningse predikant ds. M. Heerschap het nieuwe kerkgebouw in gebruik. De predikant spreekt bij deze gelegenheid over Psalm 48:10: ”O God! Wij gedenken Uwer weldadigheid, in het midden Uws tempels”.

Voor de Gereformeerde Gemeenten is 1953 een zeer ingrijpend jaar. De kerk valt uiteen in de Gereformeerde Gemeente (ook wel bekend als Synodaal) en de Gereformeerde Gemeente in Nederland. Een meerderheid van kerkenraad en gemeente in Rhenen besluit zich aan te sluiten bij de Gereformeerde Gemeente in Nederland. Zij behouden het kerkgebouw. De synodalen moeten nu snel op zoek naar een nieuw onderdak. Ruim een half jaar lang komt men samen in de Gereformeerde Kerk. De gemeente is dankbaar voor dit onderkomen, maar op 16 november 1953 wordt op een ledenvergadering een voorstel besproken om een pand aan de Bantuinweg nummer 39, ook wel bekend als gebouw Saoedi Mampir, te gaan huren.

In 1956 neemt ds. P. van der Bijl een beroep aan naar de gemeente in Rhenen. Hij is kort daarvoor overgekomen van de Christelijke Gereformeerde Kerk naar de Gereformeerde Gemeente.

Houten kerk

Op 26 april 1957 koopt de gemeente een houten noodkerk van de Gereformeerde Kerk van Heemstede-Sassenheim. Kosten: 15.317,75 gulden. Het gebouw is na de Tweede Wereldoorlog door Zweden aan Heemstede (bij Haarlem) geschonken voor herstel van de oorlogsschade die Hitler heeft veroorzaakt met de bouw van zijn Atlantic Wall. De kerkenraad van de Gereformeerde Gemeente in Rhenen koopt ook een stuk grond tussen de Achterbergsestraatweg en Eikenlaan. Op 4 september 1957 neemt ds. Van der Bijl het kerkgebouw in gebruik in een dienst waarin hij spreekt over de tekst 1 Samuël 7:12: ”Samuël nu nam een steen, en stelde dien tussen Mizpa en tussen Sen, en hij noemde diens naam Eben-Haëzer; en hij zeide: Tot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen”.

De notulen over de jaren 1960 zijn kort, zakelijk en sober. Het orgel wordt in deze periode stevig onder handen genomen. Het krijgt in 1966 voor een bedrag van 4280 gulden een grote beurt. In 1978 krijgt het kerkgebouw een flinke opknapbeurt: schilderwerk en reparaties aan de buitenzijde.

De Jongh-orgel

Op 21 juni 1979 brengt de kerkenraad haar zorgen rond het orgel ter sprake. Na het beluisteren van orgels van verschillenden orgelbouwers wordt gekozen voor orgelbouwer W. N. de Jongh uit Lisse. De orgelbouwer stort zich met enthousiasme op de klus en realiseert een klein orgel met vijf stemmen: Holpijp 8’, Prestant 4’, Roerfluit 4’, Octaaf 2’, Mixtuur II sterk en een aanhangend pedaal. Het van lichteiken gemaakte orgel krijgt een plaats op een kleine verhoging links van de preekstoel.

Op 10 december 1982 wordt het orgel opgeleverd. Al na korte tijd blijkt dat het orgel zonder een zware stem op het pedaal de samenzang in een gevulde kerk eigenlijk niet goed aankan. Daarom stemt de ledenvergadering van 16 februari 1984 in met de aanschaf van een Subbas 16’ die achter het orgel wordt geplaats.

Eind 1985 krijgt de gemeente een mooie kans het interieur van de kerk te vernieuwen. De oude banken zorgen voor klachten en de gereformeerde gemeente van Ermelo wil haar interieur vervangen. De ledenvergadering stemt er mee in om een deel van de banken van Ermelo over te nemen. Tevens zal de vloerbedekking worden vernieuwd.

Nieuwbouw

Op 25 maart 1998 wordt vanwege een flinke groei van de gemeente gekozen voor nieuwbouw. Gekozen wordt voor het plan van de Amerongse architect Van Beijnum. De bouwcommissie komt uiteindelijk tot het advies geen kerk van 250 zitplaatsen, maar een met 325 te bouwen. Zij ontwerpt daarvoor een kerk op basis van het traditionele schuurmodel. Die schets wordt door architect Van Beijnum uitgewerkt. Het wordt een kerk met twee lagen. Dankzij het grote hoogteverschil in het terrein van de kerk kan dat goed: beneden de zalen en een fietsenkelder, boven de kerkzaal, inclusief galerij.

Op 21 juni 2000 wordt de eerste steen gelegd met inscriptie: ,,Deze steen is gelegd door ouderling J. van Dijk. 1 Samuël 7 vers 12. 21 juni 2000.”

Op 5 april 2001 neemt de gemeente een nieuw kerkgebouw met een 500 zitplaatsen in gebruik. De gemeente groeit hard. Al snel moet ook de galerij in gebruik worden genomen. Binnen een paar jaar is ook de nieuwe kerk te klein en wordt besloten tot uitbreiding van de kerk met twee vleugels. Vanaf oktober 2004 tot het voorjaar van 2005 komt de gemeente daarom samen in het kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente in Nederland bij de molen. 21 april 2005 wordt de uitgebreide kerk in gebruik genomen.

Leichel-orgel

Sinds 13 december 2001 is in het nieuwe kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente namelijk een uit 1890 stammend Leichel-orgel in gebruik.

Een orgelcommissie gaat in 1998 op zoek naar een passend en betaalbaar (mechanisch) pijporgel voor de nieuw te bouwen kerk. Zij laat zich daarbij adviseren door Herman van Vliet (1941- ), organist van de Amersfoortse Grote of St. Joriskerk. Die weet van de sluiting van de Doopsgezinde Kerk in het centrum van Arnhem. Het orgel voldoet aan de wensen van de orgelcommissie en de kerkenraad. Daarom wordt in 1999 het uit 1890 stammende Leichel-orgel aangekocht. Dit tot tevredenheid van de Arnhemse doopsgezinden. Die zijn blij dat het orgel als geheel blijft bestaan en opnieuw een plaats in de eredienst krijgt.

Rhenen is met de aankoop een historisch orgel rijker, zo vertelt de historie van het orgel. Op 23 juli 1889 krijgt de Firma Leichel en Zonen te Lochem de opdracht een orgel te bouwen voor de Doopsgezinde Gemeente te Arnhem. Kostprijs 2250 gulden. De orgelbouwer krijgt mee: ”De registers moeten zacht en lieflijk geïntoneerd worden en naar gelijkzwevende temperatuur gestemd worden (De prestant mag wel de kerktoon hebben)”.

Het resultaat is een orgel met tweeklavieren en aangehangen pedaal en de volgende registers:

Hoofdmanuaal: Prestant 8’, Bourdon 16’, Holpijp 8’, Octaaf 4’, Quint 3’, Open Fluit 2’, Trompet 8’ discant, Trompet 8’ bas,

Bovenmanuaal: Salicionaal 8’, Viola da Gamba 8’, Lieflijk Gedekt 8’, Flûte d’Armour 4’,

Speelhulpen: Manuaalkoppel, Ventiel

Op zondag 9 februari 1890 neemt de Doopsgezinde gemeente het instrument in gebruik. Twintig jaar later adviseert de organist M.A. Brandts Buys het orgel aan te passen. Uiteindelijk gebeurt dat pas in 1912 als de Utrechtse orgelbouwer M. Maarschalkerweerd (1838-1915) –hij bouwde ook het orgel in het Koninklijk Concertgebouw in Amsterdam– de opdracht krijgt om het orgel voor 1185 gulden te wijzigen. De opdracht is vierledig: 1. aanbrengen van een vrij pedaal met drie registers; 2. maken van een nieuwe Trompet 8’ ; 3. de registers van het bovenmanuaal in een zwelkast plaatsen, waardoor de organist het geluid van deze registers kon dempen dan wel laten aanzwellen door houten lamellen dicht respectievelijk open te zetten; 4. het orgel schoonmaken en stemmen. Alles bij elkaar een ingrijpende verbouwing en uitbreiding. Maarschalkerweerd rond deze klus februari 1913 af.

In 1931 krijgt het orgel een elektrische windvoorziening en kunnen de orgeltrappers naar huis. Negen jaar later krijgt het orgel een Tremulant erbij. Hoewel de oorlogshandelingen in september 1944 zich vlakbij de Doopsgezinde Kerk afspelen, blijft de schade beperkt tot de inslag van een enkele granaatscherf. Een aardig detail: In een van de grote frontpijpen –de linkse van de middelste groep– is duidelijk een dichtgesoldeerd gat te zien. Ook aan de achterzijde is een gat dichtgesoldeerd. Of dit een litteken is van een granaatscherp is niet met zekerheid vast te stellen. In 1958 vinden organist en gemeente dat het orgel een wat helderder klank moet krijgen. De Utrechtse orgelmaker Sanders –dezelfde die ook actief was in de Cunerakerk– krijgt de opdracht het orgel drastisch aan te passen. In de jaren zestig voert de Firma Reil uit Heerde nog een restauratiebeurt uit. Op 7 juni 1999 klinkt het orgel voor het laatst in De Vermaning van de Doopsgezinde Gemeente in Arnhem. Het orgel wordt daarna gedemonteerd door orgelmaker Ide Boogaard uit Rijssen die aangetrokken is voor de overplaatsing en restauratie.

Eind 2001 plaats Bogaard het orgel in het kerkgebouw aan de Achterbergsestraatweg. Boogaard vervangt ondermeer de Tremulant en de windmotor, voegt een koppel van Pedaal naar Zwelwerk toe en vervangt de Quint door een Quintfluit 3’. Op 13 december speelt adviseur Herman van Vliet het orgel in tijdens een speciale dienst waarin de consulent van de gemeente, ds. F. Mulder (1951- ) uit Scherpenzeel, voorgaat.

De dispositie van het Leichel-orgel in het kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente in Rhenen is als volgt:

Hoofdwerk: Prestant 8’, Holpijp 8’, Roerfluit 4’, Octaaf 4’, Quint 3’, Open Fluit 2’, Mixtuur 3 st., Trompet 8’,

Zwelwerk: Lieflijk Gedekt 8’, Gamba 8’, Octaaf 4’, Quintfluit 3’, Woudfluit 2’,

Pedaal: Subbas 16’, Octaafbas 8’, Octaaf 4’,

Speelhulpen: Drie koppels, Tremulant

Afbeeldingen

Exterieur

Interieur