Handelingen

Sliedrecht, Kerkbuurt 72 - Beth-el (1890 - 2021)

Uit Reliwiki


Bezig met het laden van de kaart...
Algemene gegevens
Naam kerk: Beth-El
Genootschap: Christelijke Gereformeerde Kerk
Provincie: Zuid-Holland
Gemeente: Sliedrecht
Plaats: Sliedrecht
Adres: Kerkbuurt 72
Postcode: 3361BJ
Sonneveld-index: 03446
Jaar ingebruikname: 1890
Architect:
Huidige bestemming: gesloopt
Monument status: geen

Geschiedenis

  • 2018 - De bouwcommissie van de christelijke gereformeerde kerk Beth-El in Sliedrecht hoopt dat de sloop van de huidige kerk en de bouw van de nieuwe in 2019 kan beginnen. Men besloot eind 2017 tot nieuwbouw op de huidige plaats van de kerk aan de Kerkbuurt in het centrum. Het huidige kerkgebouw dateert uit 1935 en telt ongeveer 1500 zitplaatsen. In de nieuwe kerk komen ongeveer 1000 zitplaatsen en kunnen er zo nodig 200 bijkomen. Ook komt er zodoende meer ruimte voor zalen, consistorie en keuken. Het orgel wordt behouden, opgeslagen en in de nieuwe kerk weer opgebouwd. Tijdens de nieuwbouw kunnen de kerkgangers terecht in de gereformeerde gemeente Boazkerk, die tegen die tijd vergroot is. (Bron:Contactbrief)
  • 2021 - De voorbereidingen voor nieuwbouw van de Christelijke Gereformeerde Kerk Beth-El in Sliedrecht zijn in een nieuwe fase gekomen. Nu de aanbesteding achter de rug is en de bedrijven bekend zijn die de nieuwbouw gaan verzorgen, kan voorzichtig worden gerekend met een planning waarbij in augustus 2021 met de sloop van het huidige gebouw kan worden begonnen.
  • 2021 - Omdat het orgel meegaat naar het nieuwe gebouw, zullen met het demonteren en inpakken daarvan de werkzaamheden beginnen. Orgelmakerij Boogaard zal het orgel daarna opslaan en na de bouw ook weer terugplaatsen.
  • 2021 - Op zondag 4 juli 2021 zullen de laatste erediensten worden gehouden in het huidige kerkgebouw. Mede gezien de beperkingen vanwege het coronavirus worden daarvoor alleen eigen gemeenteleden uitgenodigd.
  • 2021 - Na de bouwvak wordt begonnen met de sloop.

Ontstaansgeschiedenis christelijk Sliedrecht

De rivier de Merwede is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van Sliedrecht: niet alleen in economische zin, maar ook in geestelijk opzicht. Immers kwam via diezelfde rivier de bevolking met het christelijk geloof in aanraking. Zo kwam de nije-leer, zoals deze toen genoemd werd, uit Duitsland en Zwitserland ook in onze streken.

Reeds in 1523 predikte Cornelis Wouterszoon in de omgeving van ons dorp de Lutherse leer. Toch zou deze leer het niet winnen, maar veeleer die van Johannes Calvijn, de reformator uit Genève. Dat kwam doordat Hendrik van Brederode, Heer van Vianen, een overtuigd calvinist was en uitsluitend calvinistische predikanten toeliet in zijn gebied, hetgeen grote gevolgen had voor onze omgeving. Er werden in de Alblasserwaard hagenpreken gehouden, die uitliepen op vervolgingen. Zo werd in 1572 Adriaantje Jansd. uit Molenaarsgraaf in Dordrecht verbrand. In Sliedrecht werd in 1566 de kerk van haar beelden ontdaan. In 1582 deed Wilhelmus Lontius als eerste predikant zijn intrede.

De Afscheiding van 1834

In 1816 had koning Willem I de kerkorde afgeschaft en bovendien de gereformeerde belijdenisgeschriften aan de kant gezet. De kerk moest geheel en al staatskerk worden. Willem I, die was opgegroeid in Engeland, had dit systeem daar afgekeken en meende dat ook in ons land de kerk op die manier geregeerd moest worden. Er kwam een Ministerie van Eredienst, maar wat erger was: de prediking in het algemeen was niet meer volgens Gods Woord. Ook zag men de Bijbel niet meer als zodanig.

Op 14 oktober 1834 kwam het in het plaatsje Ulrum in Groningen tot afscheiding onder leiding van ds. H. de Cock. Ds. De Cock heeft deze Afscheiding van de Hervormde kerk nooit als "separatie" beschouwd. Hij stichtte geen nieuwe kerk, maar hij keerde terug naar de aloude Gereformeerde kerk, die geboren was uit de Reformatie. In de "akte van Afscheiding of Wederkering", zoals het door ds. De Cock en de gemeente van Ulrum ondertekende stuk heette, werden ook allen opgeroepen zich met hen te verenigen, die van eenzelfde geest waren.

In Sliedrecht sloeg de beweging van de Afscheiding aanvankelijk niet aan. In het nabijgelegen Giessendam kwamen daarentegen zelfs twee afgescheiden gemeenten tot stand en de eerste afgescheiden Sliedrechters kerkten in een van die gemeenten. Toen het aantal leden in Sliedrecht toenam, kwam het zelfs tot een gecombineerde gemeente: Giessendam-Neder-Hardinxveld-Sliedrecht, waarna op 28 juni 1853 Sliedrecht zelfstandig is geworden als christelijke afgescheiden gemeente. Zij kreeg haar eerste kerkgebouw tegenover de huidige Scheepswerf Baars aan de Rivierdijk. Het kerkje is enige jaren geleden afgebroken. In 1872 kreeg de gemeente in de Kerkbuurt een nieuw kerkgebouw, dat later koekjesfabriek werd. In 1856 ontving deze gemeente ds. Chr. Steketee als haar eerste predikant. Naast het ontstaan van een twintigtal Ledeboeriaanse gemeenten ontstonden er zogenaamde vrije gemeenten. Veelal leefde in deze vrije gemeenten eenzelfde gedachtesfeer als in de Ledeboeriaanse gemeenten. Deze vrije gemeenten bleven geheel zelfstandig. Hoogstens was er enig contact met andere vrije gemeenten rondom een bepaalde predikant. Ook in Sliedrecht zou zich zo'n vrije gemeente vestigen, waaruit de Christelijke Gereformeerde Kerk van Sliedrecht-Centrum is voortgekomen. Later is deze naam gewijzigd in Sliedrecht-Beth-El.

De Oud Gereformeerde Gemeente van Sliedrecht

De Vrije Gereformeerde Gemeente, later Oud Gereformeerde Gemeente genoemd, moet omstreeks 1876 gesticht zijn. Dit is bekend geworden omdat van schipper Tijs Volker Flipzoon in dat jaar een stukje grond werd aangekocht, waarop een kerkje gebouwd zou worden voor de Vrije Gereformeerde Gemeente. Dit kerkje stond te Baanhoek, tussen de spoorbrug en Papendrecht, achter perceelnummer 387. Aanvankelijk moet het een gezelschap geweest zijn, waar ook ledeboeriaanse opvattingen heersten, hetgeen blijkt uit de notulen van de latere Christelijke Gereformeerde Gemeente. We kunnen stellen dat de gemeente gegroeid is vanwege de ontevredenheid over de plaatselijke kerkelijke situatie in die dagen. De mensen die in het kerkje te Baanhoek samenkwamen waren eensgeestes met de mannen van de Nadere Reformatie. Het waren voornamelijk ex-hervormden en afgescheidenen van voor 1892, die behoefte hadden aan bevindelijke prediking, die in Sliedrecht steeds meer gemist werd.

Situatie in de Nederlandse Hervormde kerk

De vrijzinnigheid had in die dagen de overhand in de plaatselijke Nederlandse Hervormde Kerk. De tegenstellingen tussen rechtzinnig en vrijzinnig spitsten zich in de jaren tussen 1880 en 1890 zodanig toe, dat een aantal leden een afzonderlijk gebouw stichtten, waarin zij orthodoxe predikanten uit andere plaatsen lieten voorgaan. De ingebruikname van het zogenoemde Evangelisatie-gebouw vond plaats in november 1890. Dit gebouw is nu ons kerkgebouw in de Kerkbuurt.

Kerkgebouw

Zoals reeds vermeld stond het kerkje te Baanhoek. Jarenlang kon men zien, dat daar een kerkje moet hebben gestaan, maar nu is er niets meer van over. Het was te herkennen aan een boograam. In 1900 werd het kerkje verbouwd tot drie woningen, toen genummerd: Wijk D 561, 563 en 565. Vanaf 1962 werd het gebruikt als pakhuis en vervolgens in 1976 gesloopt. Waarschijnlijk stond de pastorie - voor zover men daarvan kon spreken - voor het kerkje aan de dijk. In de Sliedrechtse volksmond werd het kerkje het 'Chrisdoornkaarksie' genoemd, omdat er nogal wat doornstruiken in de omgeving van het gebouwtje groeiden.

De voorgangers

De eerste voorganger, die aan de gemeente verbonden werd, is Maarten van der Spek, geboren 1 oktober 1822 te Hof van Delft. Waarschijnlijk zijn met de komst van ds. Van der Spek de ambten in de gemeente ingesteld, want op 16 april 1882 werd het eerste kind van de gemeente gedoopt.. Ds. Van der Spek had de gewoonte om bij de behandeling van de Heidelbergse Catechismus de vragen van de betreffende zondagsafdeling door een van de catechisanten te laten beantwoorden. Op 9 augustus 1886 vertrok ds. Van der Spek naar Dirksland. Na ds. Van der Spek kwam op 1 oktober 1886 de predikant van de Oud Gereformeerde Gemeente van Nieuw Amsterdam, ds. Pieter Broekhuijsen, geboren op 1 februari 1859 te Amersfoort. Ds. Broekhuijsen had nogal wat betrekking op de inmiddels - in 1886 - ontstane dolerende kerken, waarin hij graag predikant wilde worden. Hij zocht dan ook contact met de classis Rotterdam van deze kerkengroep. Omdat ds. Broekhuijsen niet als predikant bij de dolerende kerken werd aanvaard, is er van deze aansluiting niets terechtgekomen. De relatie met de gemeente Sliedrecht werd dan ook verbroken en hij vertrok op 12 november 1892 naar Lekkerkerk.

Op 4 december 1890 kwam oefenaar - wij zouden nu zeggen "lerend ouderling" - Gerrit Jan Wolbers naar Sliedrecht. Hij kwam van Ambt Doetinchem en was geboren op 23 september 1866 te Markelo. Van oefenaar Wolbers is nog iets bijzonders bekend: "Hij had iets eigenaardigs over zich. Menigmaal kon hij zo verdiept zijn in de dingen des Heeren, dat hij vergat waar hij was. Men kreeg de indruk, gelet op de gedurige beweging van zijn lippen, als men hem bespiedde, dat hij onophoudelijk bad. Oefenaar Wolbers vertrok alweer op 9 augustus 1893, naar Ooltgensplaat Hierna kwam op 28 februari 1894 ds. Johannes van Drunen naar Sliedrecht. Onder deze predikant zou de aansluiting bij de in 1892 voortgezette Christelijke Gereformeerde Kerk plaatsvinden. Ds. Van Drunen kwam over van de Oud Gereformeerde Gemeente van Ter Aar. Met zijn komst werd de gemeente Sliedrecht betrokken bij het Oud Gereformeerde kerkverband(je). Ds. Van Drunen was op 25 april 1855 te Utrecht geboren. Hij had de bevoegdheid als oefenaar in de dolerende kerken en was als zodanig werkzaam te Noorden (Woerdense Verlaat). In januari 1892 ging hij naar de Oud Gereformeerde Gemeente van Ter Aar, waar hij tot predikant is geordend. Hij verloor hierdoor de bevoegdheid als oefenaar in de dolerende kerken. Blijkens de eerste notulen van de kerkenraad van de Oud Gereformeerde Gemeente van Sliedrecht van 31 maart 1894 presideerde hij voor het eerst de vergadering. Hij werd tevens belast met het scribaat, hetgeen uitkomt in zijn keurig leesbaar handschrift.

Naar de Christelijke Gereformeerde Kerk

Met de komst van ds. J. van Drunen naar Sliedrecht, kwam het kerkverband ter sprake. In de kerkenraadsvergadering van 12 augustus 1894 kwam het onderwerp inzake het bestaande kerkverband voor de derde maal ter sprake. Na rijp beraad besloot men nog diezelfde avond vergadering met de leden te houden om het besluit van de kerkenraad mede te delen, dat zij vereniging wenste te zoeken bij die broeders, die op het beginsel van 1834 stonden. Op vrijdag 21 september 1894 had de officiële aansluiting bij de Christelijke Gereformeerde Kerk plaats. De vergadering waarin dit geschiedde stond onder leiding van de predikanten J. Wisse Czn. en J. Schotel. Ook ouderling P. Roobol van Dordrecht was aanwezig. Zo is de Oud Gereformeerde Gemeente van Sliedrecht in het spoor gekomen van de in 1892 voortgezette Christelijke Gereformeerde Kerk, voortgekomen uit de Afscheiding van 1834. Tot het jaar 1947: Christelijke Gereformeerde Gemeente van Sliedrecht. De gemeente maakte deel uit van het landelijk kerkgenootschap dat in die dagen genaamd was: Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland. Door de Generale Synode van 1947 werd besloten de naam van het kerkgenootschap te wijzigen in: Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. De naam van de plaatselijke gemeente werd: Christelijke Gereformeerde Kerk.

Orgel

Sinds 1982 beschikt onze gemeente over een orgel dat gebouwd is door de orgelbouwers Hendriksen en Reitsma uit Nunspeet. Het orgel beschikt over 39 registers die verdeeld zijn over drie klavieren en pedaal. Het orgel voldoet in alle opzichten aan zijn primaire taak, de begeleiding van de gemeentezang, in praktisch opzicht is het hiervoor ook ontworpen. In artistiek opzicht bieden zowel dispositie als intonatie alle mogelijkheden in de richting van de barok, maar met het in een zwelkast opgestelde bovenwerk (met bijvoorbeeld de warme strijkers of ronde Hobo) zeker ook voor muziek uit de romantische stijlperiode.

Geschiedenis orgels

Het eerste orgel

In 1894, het jaar dat onze huidige gemeente ontstond, verhuisde de gemeente naar een nieuw kerkgebouw met 500 zitplaatsen. Eind 1903 was er voor het eerst sprake van de bouw van een kerkorgel door orgelmaker P.C. Bik uit Leiden. Het werd op donderdagavond 2 november 1905 in gebruik genomen. Van dit (mechanische) orgel is alleen nog bekend dat het 12 stemmen had, verdeeld over twee klavieren en pedaal. Het orgel had volgens overlevering een mooie klank en een prachtig front, maar in 1929 verkeerde het orgel in een slechte staat.

1931-1962, het Dekker-orgel

In 1931 werd er dan ook besloten om een nieuw orgel aan te kopen bij de orgelbouwer A.S.J. Dekker uit Goes. Dit was een pneumatisch orgel met één klavier en pedaal. De windvoorziening was nu voor het eerst elektrisch, wat betekende dat er geen orgeltrappers meer nodig waren. Wegens uitbreiding van het aantal gemeenteleden werd in 1935 het huidige kerkgebouw aangekocht, waarin toen 750 zitplaatsen waren. Het Dekker-orgel werd overgeplaatst. In 1942 werd vanwege de groei van de gemeente de kerkzaal uitgebreid met zijgalerijen. Op dat moment waren er ca. 1000 doop- en belijdende leden. Twintig jaar later, in 1962, moest het kerkgebouw met uitbreiding in het achterportaal opnieuw vergroot worden, waarbij er ruimte kwam voor totaal 1200 zitplaatsen. Hoewel het kerkgebouw in de loop der jaren dus tweemaal vergroot werd, bleef het inmiddels dertig jaar oude Dekker-orgel ongewijzigd. Ook de kwaliteit van dit orgel werd minder.

1965-1979, het orgel van Fonteyn en Gaal

In 1962 werd er begonnen met de bouw van een opnieuw Electro-pneumatisch orgel, dit keer door orgelbouwers Fonteyn en Gaal uit Amsterdam. Dit orgel kwam in 1964 gereed en werd op 25 januari 1965 officieel aan de kerkenraad overgedragen. In de tijd dat het orgel in ons kerkgebouw stond zijn er diverse kleine wijzigingen aan de dispositie doorgevoerd. Het orgel beschikte uiteindelijk over 28 stemmen verdeeld over 2 klavieren en pedaal en werd opgesteld in een diepe nis boven de kansel. De speeltafel werd op de zijgalerij geplaatst. Na vergroting van het kerkgebouw in 1972 tot ca. 1500 zitplaatsen werd in 1978 besloten tot nieuwbouw van het zalencomplex achter de kerk. In dit plan moest het orgel wijken voor de grote bovenzaal. Verplaatsing van het in de nis gebouwde orgel was zonder grote aanpassingen echter niet mogelijk. Bovendien was de draagkracht van het instrument beperkt. Het orgel werd daarom verkocht aan de Christelijke Gereformeerde Eben Haëzerkerk in Utrecht-Noord. Het heeft daar tot 1996 dienst gedaan en is tegenwoordig te vinden in de Christelijke Gereformeerde Maranathakerk in 's Gravenzande. In onze gemeente werd er tijdens de erediensten tijdelijk gebruik gemaakt van een elektronisch orgel.

1982-heden, Hendriksen en Reitsma

Op 1 augustus 1979 werd aan de orgelbouwers Hendriksen en Reitsma te Nunspeet opdracht gegeven voor de bouw van een nieuw orgel volgens het mechanische sleepladensysteem. Aanvankelijk werd hierbij uitgegaan van 30 stemmen verdeeld over 2 klavieren en pedaal, waarbij een uitbreiding mogelijk was met een derde klavier en 8 extra stemmen. Gezien de opbrengsten van de collecten werd op 12 januari 1981 besloten om de orgelbouwers de uitbreiding direct te laten realiseren. Hendriksen en Reitsma schonken een extra stem in de vorm van een Flageolet 1 ', waarmee het totaal aantal zelfstandige registers uiteindelijk op 39 is gekomen. Het orgel, dat door het Reformatorisch Dagblad betiteld werd als een “Monumentaal orgel met uitstekende vormgeving”, telt daarmee 2441 sprekende orgelpijpen. De heer J. Zwanepol uit Kampen werd door de kerkenraad benoemd als adviseur bij de bouw en hielp met het oog op de kerkakoestiek bij de realisering van het klank technische aspect. Ook bespeelde hij het orgel toen het op woensdag 7 april 1982 onder veel belangstelling in gebruik werd genomen in een bijzondere kerkdienst. Onze emerituspredikant, ds. M.C. Tanis, mediteerde over Psalm 33: 3b, 4 en 5. “Speelt wel met vrolijk geschal. Want des HEEREN Woord is recht, en al Zijn werk getrouw. Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.”

Gedurende de afgelopen 30 jaren hebben de ontwikkelingen rondom ons orgel niet stilgestaan. Zo had het orgel onder andere te lijden onder de hoge luchtvochtigheid in het kerkgebouw, wat uiteindelijk in 2004 heeft geleid tot noodzakelijke reparaties en aanpassingen aan een aantal orgelonderdelen. Bij de zuiver loden onderdelen, met name in de tongwerken, was een zekere mate van oxidatie (versuikering) opgetreden waardoor deze delen moesten worden vervangen door metaal van een andere legering. Met het oog op deze problemen zijn er in dat jaar ook verschillende klimaatverbeteringen aangebracht aan het kerkgebouw. Onder andere werd onder de vloer van de kerk een schelpenlaag aangebracht om de hoge luchtvochtigheid tegen te gaan. Bij de voorbereiding van deze werkzaamheden is gebruik gemaakt van de Orgelbouw Advies Commissie van de VOGG, waarbij orgelbouwer Hendriksen en Reitsma zich aansloot. In 2006 heeft het orgelfront een grote opknapbeurt ondergaan. De buitenkant van de orgelkast werd grondig schoongemaakt en opnieuw gelakt. De frontpijpen werden gepoetst, waar nodig gerepareerd, en de labia van deze pijpen werden verguld. De oude laag was een goudkleurige verf welke door het hierin verwerkte koperpigment ging verkleuren.

Er wordt rekening gehouden met het feit dat binnen niet al te lange tijd groot onderhoud gaat worden uitgevoerd. Normaal gesproken is groot onderhoud eens in de 25 á 30 jaar nodig. Hierbij wordt het hele orgel schoongemaakt en waar nodig gerepareerd. De mechaniek wordt opnieuw ingeregeld en waar nodig of gewenst wordt de intonatie verbeterd.

Links

Afbeeldingen

Exterieur

Interieur