Handelingen

Rotterdam, Tidemanstraat - Tidemanstraatkerk

Uit Reliwiki


Bezig met het laden van de kaart...
Algemene gegevens
Naam kerk: Tidemanstraatkerk
Genootschap: Gereformeerde Kerken in Nederland
Provincie: Zuid-Holland
Gemeente: Rotterdam
Plaats: Rotterdam
Adres: Tidemanstraat
Postcode:
Inventarisatienummer: 03066
Jaar ingebruikname: 1924
Architect: Jonge, Jos de
Huidige bestemming: gesloopt
Monument status: geen

Geschiedenis

Dit was een alleszins interessant, groot, karakteristiek Gereformeerd kerkgebouw met toren in Delfshaven (Rotterdam-West), ontworpen door architect Jos de Jonge.

De eerstesteenlegging vond plaats op 17 september 1923 en de ingebruikname op 17 december 1924.

Het kerkgebouw met toren op de hoek van de voorgevel was opgetrokken in een sobere, expressionistische bouwstijl. Er bevonden zich 1200 zitplaatsen, waaronder op balkons. De liturgische indeling met banken rondom de kansel en orgel was beïnvloed door de opvattingen van Abraham Kuyper.

Buiten gebruik 1973, sloop 1975. In dit kerkgebouw bevond zich een in diverse opzichten uniek, groot orgel (zie onder). Na sluiting van de kerk is het orgel gedemonteerd, en in het leegstaande kerkgebouw opgeslagen. Door vandalisme zijn vele delen van het orgel daarna vernield. Resterende delen zijn later nog gebruikt voor het orgel van de Gereformeerde Duyststraatkerk in Rotterdam-Delfshaven.

In de media

Uit Nieuwe Rotterdamsche Courant, 25 december 1924.

Orgel in de nieuwe kerk.

Wij zijn gistermiddag in de gelegenheid geweest kennis te maken met het orgel dat de heer A. Standaard te Schiedam voor de nieuwe gereformeerde Kerk aan de Tidemanstraat geleverd heeft, een instrument waarvan men nu niet recht verklaren kan dat het in Nederland gemaakt is. Van heel wat Nederlandsche orgels zijn vrijwel alle onderdeelen in het buitenland vervaardigd; het instrument in deze nieuwe kerk echter is naar de heer Standaard ons verzekerde "van alle vreemde smetten" vrij; de kast, de toetsenborden, alles is in de fabriek te Schiedam gemaakt. Bij dit orgel is het electrisch- pneumatische systeem toegepast; het front is ontworpen door den architect van de kerk, den heer Jos. de Jonge alhier. De dispositie omvat 34 registers, 14 bijregisters waaronder een klokkenspel, 48 knoppen voor de vrije combinaties, crescendo en decrescendo voor het geheele werk; het aantal registers, knoppen en treden verdeeld over drie manualen en pedaal bedraagt 115, het aantal pijpen 1865 waarvan 45 sprekend in het front. Het echowerk geplaatst in den kap van de kerk heeft 6 registers en een tremulant; door jalouzieën, welke de organist electrisch in werking kan stellen wordt een groote zwelwerking verkregen. Ds windvoorziening geschiedt door twee electromotoren.

Verdere technische bijzonderheden zullen wij onze lezers besparen; liever verklaren wij dat het orgel ons als kerkinstrument bijzonder heeft kunnen voldoen. Een Concert van Händel en een Fantasie concertante van Petrali, beide door J.H. Besselaar met meesterschap ten gehoore gebracht zijn voldoende geweest ons de uitnemende eigenschappen van het orgel duidelijk te maken. Dat het volle werk voor de leege kerk (die vijftienhonderd menschen bevatten kan) te machtig bleek kan men gemakkelijk begrijpen; voor het overige echter heeft de klank van het instrument ons zeer bekoord; zij is helder zonder snelheid, zij is vol en kleurrijk terwijl zeer geslaagde registers fraaie effeten teweeg brengen. Voor de nieuwe kerk is dit orgel van den heer Standaard een kostbaar bezit; ook voor het geven van orgelconcerten is er nu in het nieuwe Westen een uitnemende gelegenheid gekomen.

Uit Nieuwe Rotterdamsche Courant, 27 december 1924.

Ook bij de beoordeling van het kerkgebouw der Gereformeerde Gemeente moet men vooropstellen, dat een maatstaf zoo hoog als in het voorafgaande bedoeld, niet aangelegd is kunnen worden, al moet deze dit blijve vast staan - als de eenig juiste beschouwd worden.

Niettemin blijkt het bouwwerk met toewijding gecomponeerd: toewijding, tot uiting komend ook in de groote en rustige massa-conceptie, waartoe de verschillende delen samengevat werden. De toren tekent zich daarin duidelijk af - jammer is de afschuining der hoeken! - het ruim - min of meer centraal van aanleg - spreekt naar buiten door de groote topgevel; het dak is forsch en klaar van lijn gehouden; de ingangen zijn met nadruk aangeduid.

Eén composilorisolio fout - pas hinderlijk overigens bij dieper gaande beschouwing - is de halfslachtige symmetrie van den voorgevel. Het gebouw is qua bouwkunstige conceptie ingesteld op zijn hoek-ligging, de toren vormt daarbij den dominant. De gevel aan de smalle zijde van het bouwwerk (de gevel aan de Tidemanstraat) is geheel volgens een as ontworpen, alle partijen links van deze as vindt men ook rechts. Ook de links flankeerenden toren vindt men dientengevolge rechts terug; alleen in aanzet evenwel, want eenige meters boven den grond eindigt dit tweede torenlichaam plotseling.

Symmetrie nu moet volledig zijn - of niet zijn, te schipperen valt daarmede niet. Daar de bedoeling symmetrisch te zijn, hier zeer opzettelijk blijkt voorgezeten te hebben, bevredigt dan ook de onvolkomen doorvoering daarvan niet. Niettegenstaande heel kleine afwijkingen in sommige onderdelen (vallend buiten een bepaald plan tot verlevendiging van de symmetrie overigens), spreekt de aangeduide opzet om symmetrie te brengen ook to nadrukkelijk om aan een trachten naar “evenwichtigheid” te kunnen denken: evenwichtigheid bovendien stelt een losser compositorisch verband voorop.

Ligt de zwakke kant van de zeker verdienstelijke buitenarchitectuur in dit punt, zoo moet er nog op gewezen worden, dat ook de allure van den voorgevel te monumentaal is voor de Tidemanstraat; deze straat is te smal voor een zoo groot gebaar en de beschouwing van het gebouw terzijde – zoals hier feitelijk de alleen mogelijke wijze van bezichtiging is – had een meer zuiver op het hoekmoment gebaseerde compositie vereischt.

De detailleering buiten vertoont een “modern” karakter zonder opdringerig te zijn: de groote ramen, in spitsboogvorm, roepen herinneringen op aan Gothische voorgangers, maar zijn tot iets eigens geworden. Rustig zijn de kleuren van baksteen, dakbedekking en beton: in levendig contrast daarmee het kleurig tegeltableau in den toren. Eenig verfwerk in de lijsten is van een blauw dat niet-geheel zuiver aandoet.

Den groot gehouden opzet van de buitenarchitectuur – waarvan nog eenige interessante oplossingen aan den achtergevel te noemen zijn - vertoont ook het gebouw van binnen, De kerk, als kruiskerk gebouwd, is inwendig overdekt met halfcirkelvormige houten gewelven die elkaar doorsnijden en in het midden gezamenlijk een verlichtingsobject dragen. Het interieur schijnt ingedeeld in schip en zijbeuken: schijnt, want de zijbeuken worden door het transept gevormd, terwijl in het midden een viering geweest zou zijn, als niet een zijknat van het in grondplan vierkante middengedeelte naar achteren verlegd was, om plaats te maken voor orgel en preekstoel. De ruimte is niettemin duidelijk van vorm, vooral ook door de gaanderijen, welke in beton uitgevoerd en vrij ver tot buiten de gewelfdragende pijlers kragen, in doorgaande strakke lijnen het strakke “schip” afteekenen.

Een verrassing daarbij en knap gevonden is de opstelling van orgel en preekstoel: als zwevend tusschen de zijgaanderijen is het eerste tot één geheel samengesteld met den laatsten, zoodoende een zeer aannemelijke oplossing scheppend voor het moeilijke probleem, dat het afstand-doen van altaar en koor in het protestantscho kerkgebouw geslapen heeft! Het zoo gewenschte belangrijke concentratiepunt, dat het oog verlangt is hierdoor wel aanwezig. Ook als kleur is deze oplossing geslaagd: de zilveren orgelpijpen met groene indeuking waaieren als op uit den donker blank-houten preekstoel, waardoor een onopzettelijk ornament ontstaan is, dat tusschen de gaanderijen en tusschen eenige zwart-fluweelen voorhangen luchtig en toch organisch gevat is. Bii den totalen kleurindruk van de ruimte stemt dit eveneens goed: het geheel is in grijzen pleistertoon gehouden, zilverachtig het blank gelaten hout der gewelven fijn groen de ribben, donker eikenhout de banken.

Het ruim als geheel doet aldus prettig aan: in onderdeelen is in alle onopgesmuktheid soms nog één teveel. Binnen als buiten trouwens is de detailleering niet de sterkste zijde van het bouwwerk. Do boogvormige vensters harmonieeren - stootend haast tegen de tongewelven - in het interieur minder dan in.de gevels; ook onder de gaanderijen hadden eenige oplossingen nadere bestudeering gevraagd. De glas-in-loodramen der vensters zijn onconventioneel; de vierkant-mode heeft er haar intree gedaan: niet hinderlijk evenwel. De kleuren der ramen zijn frisch.

Van L. Bolle is er in het interieur eenig beeldbouwwerk, waarvan de pelikanen wel het beste zijn.

In “Ons Eigendom" heeft de architect een voorstel gepubliceerd tot wijziging van de ter plaatse door de gemeente geprojecteerde bouwblokken. Terwille van het aspect van de kerk, zoowel als om het aspect van het Burgemeester Meineszplein, verdient dit alle overweging.

Afbeeldingen